Verwarringsgevaar tussen METRO en METRO KIDS COMPANY voor o.a. kleding

07-02-2013 Print this page
IEPT20130207, GEU, AMC-Representacoes v BHIM

EU-oppositieprocedure o.g.v. ouder internationaal beeldmerk “METRO” tegen  beeldmerk met woordelementen “METRO KIDS COMPANY” voor textielproducten, kleding en transportdiensten. Het BHIM wees de oppositie toe en het Gerecht bevestigt deze beslissing. Verwarringsgevaar wordt aangenomen: er is sprake van identieke waren en overeenstemmende tekens in visueel en auditief opzicht, begripsmatig kan er geen vergelijking worden gemaakt tussen beide tekens. Het woord “METRO” is het dominante element in het litigieuze teken, nu het geen specifieke betekenis heeft ten opzichte van de betrokken waren en diensten terwijl dit wel geldt voor de overige woordelementen “KIDS” en “COMPANY”. Het figuratieve element zal enkel als decoratief worden gezien door het relevante publiek en zal ook niet worden uitgesproken. 

Het enkele feit dat er oudere merken met het woordelement “METRO” zijn, doet hier niet aan af. Hiervoor had verzoekster voor het BHIM moeten aantonen dat de co-existentie van het oppositiemerk met deze oudere merken is gebaseerd op het ontbreken van verwarringsgevaar voor het relevante publiek. Dit heeft zij echter nagelaten. Ook heeft verzoekster niet bewezen dat het oudere merk over een zwak onderscheidend vermogen beschikt. Met betrekking tot de beoordeling van de betrokken waren en diensten overweegt het Gerecht:


57 Consideration of the objective circumstances in which the goods and services covered by the marks in dispute are marketed is fully justified. The examination of the likelihood of confusion which the departments of OHIM are called on to carry out is prospective. Since the particular circumstances in which the goods and services covered by the marks are marketed may vary in time and depending on the wishes of the proprietors of those marks, the prospective analysis of the likelihood of confusion between two marks, which pursues an aim in the general interest, that is, that the relevant public may not be exposed to the risk of being misled as to the commercial origin of the goods in question, cannot be dependent on the commercial intentions, whether carried out or not – and which are naturally subjective – of the trade mark proprietors (see O STORE, paragraph 56 above, paragraph 76 and the case-law cited).

58 It follows that the quality, price or details of the applicant’s goods and the particular circumstances in which they are marketed, which are dependent on the commercial intentions of the person applying for the trade mark and which may therefore vary in time, cannot be relevant for the purposes of analysing the likelihood of confusion.

Lees het arrest hier.