Geschil is beperkt tot proceskostenvergoeding ex 1019h Rv

27-02-2013 Print this page
IEPT20130226, Hof Den Haag, Danisco v Novozymes

Volledige proceskosten (€ 201.841) mogelijk voor nietigheidsverweer tegen (dreigend) octrooi-inbreuk conform Bericpa v Plastinnova HvJEU. Verenigbaarheid beperking terugwerkende kracht herroeping Europees octrooi in artikel 50(2) Row met artikel 68 EOV in het midden gelaten.

OCTROOIRECHT – PROCESRECHT

Vervolg op IEPT20110622, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het octrooi EP 1 804 592 (EP 592) van Novozymes geldig is en dat Danisco met haar TPT-granules indirect inbreuk maakt op dit octrooi. Het Europees Octrooibureau heeft nadien het octrooi EP 592 definitief herroepen. Dit heeft tot gevolg dat in hoger beroep de inbreukvorderingen van Novozymes alsnog dienen te worden afgewezen en dat Novozymes in de kosten van Danisco dient te worden veroordeeld. Het geschil beperkt zich nu tot de proceskostenvergoeding (ex artikel 1019h Rv) in hoger beroep.

Novozymes betoogt dat uit het HvJEU-arrest Bericap v Plastinnova volgt dat de Handhavingsrichtlijn (in het bijzonder artikel 14) niet van toepassing is op de onderhavige procedure in conventie, waarvan de inzet is de vordering tot vernietiging van EP 592. Het hof verwerpt dit verweer: hoewel Danisco de procedure is begonnen met een vordering tot nietigverklaring van EP 592, was deze vordering er op gericht zich te weer te stellen tegen het dreigend handhavend handelen op grond van dat octrooi door Novozymes. Aldus moet deze vordering worden gekwalificeerd als een vooruitgeschoven inbreukverweer. Het hof veroordeelt Novozymes in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Danisco begroot op € 201.841.

16. Uit het feit dat ook degene die ten onrechte blijkt te zijn beticht van (dreigend) inbreukmakend handelen, aanspraak kan maken op vergoeding van zijn (redelijke en evenredige) kosten, volgt noodzakelijk dat aan deze een vergoeding toekomt van kosten gemaakt voor het aanvoeren van verweren tegen het gesteld (dreigend) inbreukmakend handelen. Een belangrijk en veel gevoerd verweer tegen (dreigend) handhavend optreden door de houder van het desbetreffende intellectuele eigendomsrecht is de stelling dat dat recht niet bestaat of ongeldig (nietig) is. Het hof is van oordeel dat ook de kosten van een dergelijk verweer onder het toepassingsbereik van de Handhavingsrichtlijn - en dus van artikel 1019 e.v. Rv. - vallen. De uitspraak van het HvJEU inzake Bericap/Plastinnova staat niet aan dat oordeel in de weg. Immers, het HvJEU heeft in rov. 78 uitdrukkelijk overwogen dat het antwoord op de gestelde vragen betrekking heeft op "Een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is", te weten: een (administratieve) procedure die nietigverklaring van het betreffende gebruiksmodel tot inzet had. Daarbij bevat de uitspraak van het HvJEU geen enkele aanwijzing dat de vordering tot nietigverklaring kon worden gekwalificeerd als een inbreukverweer. De uitspraak van het HvJEU in die zaak ziet derhalve op een andere situatie dan in dit geding aan de orde is.

17. In dat verband is van belang dat, hoewel Danisco de procedure is begonnen met een vordering tot nietigverklaring van EP 592, deze vordering er, naar zij onweersproken heeft gesteld (pleitnota in hoger beroep onder 3-6), op gericht was zich te weer te stellen tegen het dreigend handhavend handelen op grond van dat octrooi door Novozymes (ook in Nederland). Aldus moet deze vordering worden gekwalificeerd als een (op het moment van aanhangig maken ervan) vooruitgeschoven inbreukverweer. Uit hetgeen het hof hiervoor, in de rov. 14-16 heeft overwogen, volgt dat naar 's hofs oordeel ook de aan een dergelijk verweer verbonden kosten onder het toepassingsbereik van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn vallen. Niet valt in te zien waarom het met het oog op dat toepassingsbereik verschil zou maken of het verweer van de vermeende inbreukmaker tegen handhavend optreden van de houder van het intellectuele eigendomsrecht wordt gevoerd in de vorm van een vordering tot nietigverklaring die voorafgaat aan het verwachte (en ook gerealiseerde) optreden van de rechthebbende, dan wel in reactie daarop.

25. (...) Zoals het hof reeds heeft overwogen, rechtvaardigt het enkele feit dat de verliezende partij minder kosten heeft gemaakt dan de winnende partij, niet zonder meer de conclusie dat de kosten, op vergoeding waarvan de winnende partij aanspraak maakt, niet redelijk en evenredig zijn; bij een grote discrepantie kan dat hooguit een aanwijzing voor die conclusie zijn. In het onderhavige geval dient rekening te worden gehouden met het feit dat Danisco door de rechtbank zowel in conventie, als in reconventie in het ongelijk is gesteld en bovendien geconfronteerd werd met een herhaalde weigering van Novozymes om bepaalde, naar later is gebleken, essentiële stukken af te geven (zie hierna). Dat maakt aannemelijk dat zij aanmerkelijk meer tijd aan het hoger beroep heeft moeten besteden dan Novozymes.

IEPT20130226, Hof Den Haag, Danisco v Novozymes