Royalties gekoppeld aan de productie van lichtbronmachine

14-03-2013 Print this page
IEPT20130313, Rb Den Haag, OTB v Lemnis
(Met dank aan Peter Kok en Bas Le Poole, Houthoff Buruma)

OTB niet erin geslaagd te bewijzen dat de royalties in het kader van de samenwerking met Lemnis niet gekoppeld was aan de productie van een lichtbronmachine. Geen sprake van een toerekenbare tekortkoming door Lemnis, nu OTB geen lichtbronmachine heeft geproduceerd en derhalve geen royalties verschuldigd waren. Ook geen beroep op onvoorziene omstandigheden: OTB had zich ervan bewust moeten zijn dat het niet zeker was of zij opdracht zou krijgen voor het ontwikkelen van de machine. In het verlengde daarvan had zij eveneens moeten begrijpen dat de bedoelde royalties evenzeer niet vaststonden.

OCTROOIRECHT - OVEREENKOMST

Eindvonnis na IEPT20111130 (tussenvonnis). Stukgelopen samenwerking tussen machinebouwer OTB en Lemnis, een voorloper in duurzame verlichtingsoplossingen op basis van LED technologie. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst zou OTB een lichtbronmachine vervaardigen; op de door Lemnis geproduceerde en gebruikte lichtbronnen zou OTB dan royalties ontvangen. Aangezien de lichtbronmachine nooit door OTB is gemaakt, heeft OTB ook geen royalties van Lemnis ontvangen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank OTB toegelaten te bewijzen dat zij met Lemnis is overeengekomen dat de vergoedingsstructuur in het kader van hun samenwerking niet gekoppeld was aan de productie van een lichtbronmachine.

De rechtbank is echter van oordeel dat OTB niet is geslaagd in haar opgedragen bewijs. De verklaring van de door OTB opgeroepen getuige Van Doorne met betrekking tot de betekenis van de term ‘royalties per lichtbron’ wordt overtuigend weersproken door de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen van Lemnis. Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Lemnis, zodat de op deze grondslag gebaseerde vorderingen van OTB stranden.

3.11. Nu de verklaringen van de getuigen Barfod en Otten zulks overtuigend weerspreken, en de rechtbank aan die verklaringen meer waarde hecht dan aan die van de getuige Van Doorne, moet ervan uitgegaan worden dat de vergoedingsstructuur op het derde niveau uitsluitend betrekking had op lichtbronnen geproduceerd met de te vervaardigen lichtbronmachine op het tweede niveau. In dit verband is nog van belang dat getuige Van Doorne desgevraagd ook geen zinvolle verklaring heeft gegeven op de vraag hoe - kort gezegd - het begrip 'royalty' buiten het voorgestane verdienmodel zou moeten worden begrepen, d.w.z. zonder dat er efficiënt/goedkoop lichtbronnen met een door OTB c.s. te vervaardigen lichtbronmachine zouden kunnen worden geproduceerd.

Ook het beroep van OTB op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) wordt afgewezen: dat OTB geen aanspraak kan maken op de met het produceren van lichtbronnen op de machine te verkrijgen royalties, is het rechtstreekse gevolg van het feit dat er tussen OTB en Lemnis geen overeenstemming is bereikt over het vervaardigen van een lichtbronmachine. OTB had zich ervan bewust moeten zijn dat het niet zeker was of zij opdracht zou krijgen voor het ontwikkelen van de machine. In het verlengde daarvan had zij eveneens moeten begrijpen dat de bedoelde royalties evenzeer niet vaststonden. Wel wordt Lemnis (als feitelijk opdrachtgever) veroordeeld tot betaling van € 57.758,49 vanwege twee gedeeltelijk onbetaald gebleven facturen.

IEPT20130313, Rb Den Haag, OTB v Lemnis