Onvoldoende bewezen dat sprake is van oudere handelsnaam "macros consult GmBH"
07-05-2013 Print this page
Het Gerecht bevestigt de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsbeeldmerk met woordelement “MAKRO” voor o.a. diensten op het gebied van reclame, verzekeringen en onderwijs. Deze vordering op grond van artikel 53(1)(c) GMeV is gebaseerd op de (oudere) Duitse naam, firmanaam en handelsnaam “macros consult GmBH”. Verzoekster is echter niet geslaagd in het bewijs dat was voldaan aan de voorwaarden van § 5 Markengesetz om zich te kunnen beroepen op een (ouder) recht op bescherming van dit teken, omdat niet was bewezen dat dit teken in het economisch verkeer was gebruikt vóór de aanvraag tot inschrijving van het conflicterende merk “MAKRO”.
65 Hieruit volgt dat het Gerecht in casu niet autonoom mag oordelen over de vraag of verzoekster zich kan beroepen op een door § 5 Markengesetz beschermd teken. Het Gerecht mag zijn eigen uitlegging van het Duitse recht immers niet in de plaats stellen van de uitlegging die daarvan door de kamer van beroep is gegeven, maar mag slecht nagaan of de kamer van beroep, met het oog op de vaststelling van de strekking van het Duitse recht en de conclusie dat verzoekster niet had aangetoond dat er een ouder in het Duitse recht beschermd recht bestond, het haar vóór de vaststelling van de bestreden beslissing overgelegde bewijsmateriaal juist heeft beoordeeld.
71 In casu is de aanvraag tot inschrijving van het conflicterende merk ingediend op 23 maart 1998 (zie punt 5 supra). Verzoekster moet dus aantonen dat zij de rechten waarop zij zich beroept vóór die datum heeft verworven. De kamer van beroep heeft dan ook terecht alle bewijselementen buiten beschouwing gelaten die verzoekster haar had overgelegd in verband met feiten tussen 2006 en 2008 (zie punt 27 van de bestreden beslissing).
79 Dienaangaande staat vast dat de enige feitelijke elementen die verzoekster voor de kamer van beroep heeft aangevoerd en die dateren van vóór de aanvraag tot inschrijving van het conflicterende merk, bestaan in documenten in verband met verzoeksters inschrijving in het Duitse handelsregister (bijlage A3 bij het verzoekschrift) en met een bij het Deutsches Patent‑ und Markenamt ingediende aanvraag tot inschrijving van het nationale woordmerk macros (bijlage A6 bij het verzoekschrift).
81 Wat enerzijds verzoeksters inschrijving in het register betreft, heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de firmanaam waaronder verzoekster werd ingeschreven, namelijk macros consult GmbH – Unternehmensberatung für Wirtschafts‑ und Finanztechnologie, niet identiek is aan de firmanaam macros consult GmbH waarvan verzoekster de bescherming inroept.
85 Met haar vaststelling dat een loutere aanvraag tot inschrijving van een woordmerk, ingediend bij het Deutsches Patent‑ und Markenamt, niet volstond ten bewijze van het gebruik van de firmanaam macros consult GmbH in het economisch verkeer, heeft de kamer van beroep geen beoordelingsfout gemaakt bij de toepassing van het Duitse recht zoals zij de strekking daarvan heeft omschreven.
86 Zoals de kamer van beroep in punt 25 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt, vooronderstelt noch impliceert de aanvraag tot inschrijving van een merk immers dat gebruik wordt gemaakt van het merk, en staat vast dat verzoekster de inschrijvingsprocedure niet heeft voortgezet. Aangezien de kamer van beroep van oordeel was dat de in § 5 Markengesetz gestelde voorwaarde van het gebruik in het economisch verkeer een zekere mate van werkzaamheid en een voldoende duurzaam karakter diende te hebben (punten 23 en 25 van de bestreden beslissing), kon zij daaruit op goede gronden afleiden dat een loutere briefwisseling als zodanig niet volstond ten bewijze van het duurzaam gebruik van verzoeksters firmanaam in het economische verkeer.
87 Verzoekster heeft geen enkel ontvankelijk bewijselement aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. Bijgevolg is zij niet geslaagd in het bewijs dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing ten onrechte van oordeel was dat zij niet het bestaan had aangetoond van een ouder recht dat de grondslag kon bieden voor een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 53, lid 1, sub c, van verordening nr. 207/2009.
Lees het arrest hier.