Verwijdering kunstwerk door gemeente Groningen is misbruik van haar bevoegdheid

29-05-2013 Print this page
IEPT20130517, Rb Noord-Nederland, Gemeente Groningen

Verwijdering van kunstwerk uit publieke ruimte, dat bestemd was om in deze publieke ruimte te worden ten toon gesteld, is geen aantasting van werk in zin van artikel 25(1)(d) Aw. Wel sprake van misbruik van bevoegdheid door Gemeente Groningen: enkele stelling dat kosten van onderhoud en herstel op termijn hoger uitvallen dan oprichtingskosten is onvoldoende om belangenafweging in het voordeel van Gemeente te laten uitvallen.

AUTEURSRECHT

Eiser heeft in opdracht van de Gemeente Groningen het kunstwerk “een virtuele Boteringepoort”, bestaande uit twee muurornamenten met neonglas lichtbogen, vier spotlights en lichtgoten, ontworpen. Van meet af aan zijn storingen in de installatie opgetreden en als gevolg van een beschadiging door de brandweer is het kunstwerk tot op de dag van vandaag niet meer volledig operationeel. De Gemeente heeft vervolgens besloten het gehele kunstwerk te verwijderen. Eiser vordert onder meer een verbod tot verwijdering en herstel van het werk. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe.

In het licht van de Wavin-uitspraak van de Hoge Raad (IEPT20040206) stelt de voorzieningenrechter voorop dat de totale vernietiging van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van het werk in de zin van artikel 25(1)(d) Aw. Hieronder is ook te verstaan de verwijdering van een kunstwerk uit de publieke ruimte, dat bestemd was om in deze publieke ruimte te worden ten toon gesteld, zodat eiser niet uit hoofde van dit artikel hiertegen kan optreden.

De vernietiging van een exemplaar van een werk kan echter wel misbruik van zijn bevoegdheid door de eigenaar opleveren (artikel 3:13 lid 2 BW) of anderszins onrechtmatig handelen jegens de maker. Nu er sprake is van een uniek exemplaar van het werk, kan van de eigenaar onder omstandigheden verlangd worden dat hij slechts tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij in het kader van een belangenafweging naar redelijkheid tot de uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. De enkele stelling van de Gemeente dat de kosten van onderhoud en herstel op termijn hoger uitvallen dan de oprichtingskosten leidt er niet zonder meer toe dat deze belangenafweging in het voordeel van de Gemeente dient uit te vallen. Nu er niet van overige omstandigheden is gebleken waardoor het niet van de Gemeente gevergd zou kunnen worden het werk in stand te laten en in goede staat te brengen, kan dit niet als enige reden zijn het belang van de Gemeente groter te achten dan dat van eiser. Dat in het ontwerp en de technische uitwerking daarvan intrinsieke gebreken aanwezig zijn, is verder ook onvoldoende onderbouwd door de Gemeente.

IEPT20130517, Rb Noord-Nederland, Gemeente Groningen