Publiekrechtelijke instelling "handelaar"in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken
03-10-2013 Print this page
Publiekrechtelijke instelling, belast met een taak van algemeen belang, zoals beheer van een verplichte ziekteverzekering, is een “handelaar” in de van richtlijn oneerlijke handelspraktijken: doel van de richtlijn is een hoog niveau van consumentenbescherming. Autonome eenvormige uitleg unierechtelijke bepalingen: Bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die niet uitdrukkelijk naar recht van de lidstaten verwijst, dient in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.
ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesgerichthof betreft de uitlegging van de Richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BKK Mobil Oil en de Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs (vereniging ter bestrijding van oneerlijke mededinging) over informatie die BKK onder haar leden had verspreid. BKK is een ziekenfonds van het Duitse wettelijke stelsel, in de vorm van een publiekrechtelijke instelling. Vast staat dat de mededeling die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding gekwalificeerd moet worden als een misleidende praktijk in de zin van de richtlijn. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of de verstrekker van de misleidende informatie, in casu BKK, onder de personele werkingssfeer van die richtlijn valt, hoewel het een publiekrechtelijke instelling betreft die is belast met een taak van algemeen belang zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering. Het Hof verklaart voor recht:
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering, binnen de personele werkingssfeer ervan valt.
Enkele overwegingen:
30 Dat artikel 2, sub b, definieert het begrip „handelaar” als „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder [die] richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”.
32 In dat verband blijkt meteen uit de formulering van artikel 2, sub b, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken dat de Uniewetgever een bijzonder ruime opvatting van het begrip „handelaar” huldigt, namelijk „[elke] natuurlijke persoon of rechtspersoon” zodra deze een activiteit tegen betaling uitoefent, waarbij instellingen met een taak van algemeen belang of met een publiekrechtelijke vorm niet worden uitgesloten.
33 Bovendien moeten, gelet op de bewoordingen van de in artikel 2, sub a en b, van die richtlijn neergelegde definities, de betekenis en de draagwijdte van het daarin bedoelde begrip „handelaar” worden bepaald in verhouding tot het correlatieve, maar tegengestelde begrip „consument”, dat verwijst naar elke niet bedrijfs‑ of beroepsmatig handelende particulier (zie naar analogie arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, C‑89/91, Jurispr. blz. I‑139, punt 22).
35 Deze doelstelling van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, die erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen dergelijke praktijken, komt voort uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd (zie naar analogie arrest Shearson Lehman Hutton, reeds aangehaald, punt 18).
37 In een situatie zoals die in het hoofdgeding lopen de leden van BKK, die duidelijk moeten worden beschouwd als consumenten in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, het risico te worden misleid door de misleidende informatie die deze instelling heeft verspreid en hen belet een geïnformeerde keuze te maken (zie punt 14 van de considerans van die richtlijn), zodat zij ertoe worden gebracht een besluit te nemen dat zij zonder die informatie niet hadden genomen, zoals is bepaald in artikel 6, lid 1, van die richtlijn. In dat verband is irrelevant of het gaat om een publiekrechtelijke of particuliere instelling en welke specifieke taak zij behartigt.
IEPT20131003, HvJEU, BKK v Wettbewerbszentrale