Beoordelingsvrijheid om rekening te houden met te laat voor BHIM overgelegde bewijzen

03-10-2013 Print this page
IEPT20131003, HvJEU, Rintisch v BHIM

Gerecht heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat kamer van beroep geen enkele beoordelingsvrijheid op grond van artikel 74(2) GMeV had en derhalve geen rekening mocht houden met elementen die Rintisch te laat voor BHIM had overgelegd. Geen vernietiging van arresten, nu dictum van Gerecht gerechtvaardigd is op andere rechtsgronden: omstandigheden waarin elementen te laat zijn overgelegd, kunnen vertraging van Rintisch bij op hem rustende bewijsvoering niet rechtvaardigen. Kamer van beroep kon weigeren rekening te houden met te laat overgelegde bewijzen.

MERKENRECHT - PROCESRECHT

Drie hogere voorzieningen tegen arresten van het Gerecht EU van 16 december 2011, waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep ingesteld door Rintisch, de houder van bepaalde communautaire en nationale woordmerken, een nationaal beeldmerk en een handelsnaam met het woordelement „PROTI” voor waren van de klassen 5, 29, 30 en 32, tegen de beslissing van de oppositieafdeling tot afwijzing van opposities tegen de inschrijving van het woordmerk „PROTI SNACK” voor waren van de klassen 5, 29, 30 en 32, tegen de inschrijving van het woordmerk „PROTIVITAL” voor waren van de klassen 5, 29 en 30, en tegen de inschrijving van het woordmerk „PROTIACTIVE” voor waren van de klassen 5, 29 en 30. Ter ondersteuning van zijn hogere voorzieningen voert Rintisch twee middelen aan, te weten resp. schending door het Gerecht van artikel 74(2) GMeV en wegens misbruik van bevoegdheid. De hogere voorzieningen worden allen afgewezen:

33 Bijgevolg heeft het Gerecht in het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 41 ervan te oordelen dat regel 20, lid 1, van de uitvoeringsverordening een andersluidende bepaling vormde die eraan in de weg stond dat de kamer van beroep rekening hield met elementen die Rintisch te laat voor het BHIM had overgelegd, zodat deze kamer geen enkele beoordelingsvrijheid op grond van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 had om met deze elementen rekening te houden.

34 Er zij echter aan herinnerd dat, wanneer blijkt van een schending van het Unierecht in de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, de hogere voorziening niettemin moet worden afgewezen (arresten van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C‑210/98 P, Jurispr. blz. I‑5843, punt 58, en 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C‑352/09 P, Jurispr. blz. I‑2359, punt 136).

37 Deze gronden, die de kamer van beroep subsidiair aanvoert om te weigeren rekening te houden met bewijzen die door Rintisch te laat zijn overgelegd, kunnen het gebrek in de litigieuze beslissing slechts herstellen indien op basis daarvan kan worden geoordeeld dat de kamer van beroep de beoordelingsvrijheid die zij op grond van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 heeft, daadwerkelijk heeft uitgeoefend om, gemotiveerd en naar behoren rekening houdend met alle relevante omstandigheden, te beslissen of het voor haar beslissing nodig was, met de niet tijdig overgelegde bewijzen rekening te houden (zie in die zin arrest van 26 september 2013, Centrotherm Systemtechnik/BHIM en centrotherm Clean Solutions, C‑610/11 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 110).

39 Voor zover Rintisch in casu zijn oppositie met name heeft gebaseerd op drie ingeschreven Duitse merken, zijn de bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van deze merken die hij tijdens de oppositieprocedure moest overleggen, nauwkeurig en uitputtend opgesomd in regel 19, lid 2, sub a‑ii, van de uitvoeringsverordening. Rintisch werd dus geacht, zelfs vóór het instellen van zijn oppositie, op de hoogte te zijn van de precieze documenten die hij ter staving ervan moest overleggen. In die omstandigheden moet de kamer van beroep haar beoordelingsvrijheid dus op restrictieve wijze uitoefenen en kan zij de te late overlegging van dergelijke bewijzen enkel aanvaarden indien de omstandigheden waarin deze bewijzen te laat zijn overgelegd, de vertraging van verzoekende partij bij de op haar rustende bewijsvoering kunnen rechtvaardigen.

40 Als motivering van haar beslissing heeft de kamer van beroep onder meer beklemtoond dat Rintisch sinds 2 december 2005 beschikte over het bewijs van vernieuwing van de betrokken merken en dat hij niet uiteenzette waarom hij dit document tot september 2007 had achtergehouden.

41 Uit de litigieuze beslissing blijkt dus dat de omstandigheden waarin de bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van de betrokken merken te laat zijn overgelegd, de vertraging van Rintisch bij de op hem rustende bewijsvoering niet kunnen rechtvaardigen.

43 Hieruit volgt dat de kamer van beroep kon weigeren rekening te houden met de bewijzen die Rintisch na het verstrijken van de daartoe door de oppositieafdeling gestelde termijnen heeft overgelegd, zonder dat zij uitspraak hoefde te doen over de eventuele relevantie van deze bewijzen of hoefde te bepalen of het stadium van de procedure waarin deze gegevens niet tijdig zijn aangevoerd, eraan in de weg stond dat er rekening mee werd gehouden.

45 In deze omstandigheden heeft de in punt 33 van het onderhavige arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht in het bestreden arrest blijk heeft gegeven, geen gevolgen voor de behandeling van de hogere voorziening, daar de afwijzing van het eerste onderdeel van het tweede middel inzake schending van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 waartoe het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest is overgegaan, gerechtvaardigd is op andere rechtsgronden dan die welke door het Gerecht zijn aangevoerd, en dus niet kan leiden tot vernietiging van dat arrest.

IEPT201301003, HvJ EU, Rintisch v BHIM - Protisnack

Lees de arresten ook hier (PROTI SNACK), hier (PROTIVITAL) en hier (PROTIACTIVE).