Bij inbreuk op persoonlijke levenssfeer is aanspraak op immateriële schadevergoeding gegeven
04-10-2013 Print this page
Publicatie van herkenbare portret bij artikel in Het Parool en op website onrechtmatig: omstandigheid dat verweerder aan eerdere documentaire over strafrechtelijk relevante verleden en aan rapclip heeft meegewerkt rechtvaardigt publicatie niet. Bovendien niet voldaan aan vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit: Het Parool had ook andere middelen tot beschikking dan volledig herkenbaar afdrukken van foto, waarmee geen afbreuk zou zijn gedaan aan zeggingskracht van artikel. In geval van inbreuk op persoonlijke levenssfeer (in casu onrechtmatige perspublicatie) is een aanspraak op schadevergoeding wegens aantasting in persoon in zin van artikel 6:106(1)(b) BW gegeven.
PUBLICATIE
Vervolg op IEPT20120320 (hof). Voorafgaand aan de behandeling van een strafzaak tegen verweerder verscheen op 19 september 2009 een artikel in Het Parool over verweerder, dat vergezeld ging van een (herkenbare) foto van verweerder. Het artikel en de foto zijn direct na publicatie ook geplaatst op de website van Het Parool. Het hof achtte de publicatie van het herkenbare portret van verweerder bij het artikel en op de website onrechtmatig en veroordeelde Het Parool tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
Het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting: het hof heeft miskend dat de medewerking van verweerder aan de eerdere NPS-documentaire ‘Vrije Radicalen’ over zijn strafrechtelijk relevante verleden en aan een rapclip, in combinatie met het feit dat verweerder een hulpverleenster heeft doodgestoken en twee hulpverleensters ernstig heeft verwond, meebracht dat verweerder in mindere mate verwachtingen ten aanzien van de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer mocht hebben. Het oordeel van het hof zou neerkomen op een absoluut verbod tot publicatie van een herkenbare foto van een verdachte van een strafbaar feit indien de verdachte geen publiek figuur is. Het middel is tevens gericht tegen het oordeel dat verweerder aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade: het hof heeft miskend dat hiervoor vereist is dat nadeel is geleden door aantasting van de persoon. Het middel faalt.
3.3.2 […] In het licht van deze maatstaf getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof heeft geoordeeld dat de publicatie van een herkenbaar portret, afkomstig uit de hiervoor […] genoemde documentaire, niet werd gerechtvaardigd door de omstandigheid dat [verweerder] aan de documentaire over zijn persoon en aan de rapclip had meegewerkt. Het oordeel van het hof dat de publicatie onrechtmatig was tegenover [verweerder] is evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft bij dit oordeel, blijkens rov. 3.12 van zijn arrest, acht geslagen op de aard en inhoud van die documentaire en op de omstandigheid dat deze is gemaakt voordat de strafbare feiten werden gepleegd waarvan [verweerder] ten tijde van de publicatie van het portret werd verdacht. Het hof heeft bovendien in aanmerking genomen dat Het Parool ook andere middelen tot haar beschikking had dan het volledig herkenbaar afdrukken van de foto, waarmee geen afbreuk zou zijn gedaan aan de zeggingskracht van de publicatie en in mindere mate inbreuk zou zijn gemaakt op het recht op bescherming van het privéleven van [verweerder]. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat publicatie van de onbewerkte foto niet noodzakelijk was voor de zeggingskracht van het artikel en, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, ook niet proportioneel was aan het daarmee nagestreefde doel, namelijk voorlichting van het publiek. Dit oordeel komt niet neer op een absoluut verbod als in de klacht bedoeld.
3.4.2 Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan aangemerkt worden als een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade (Parl. Gesch. Boek 6, p. 380). In het oordeel van het hof dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dient te wegen dan het recht van Het Parool c.s. op vrijheid van meningsuiting, ligt besloten dat Het Parool c.s. door de publicatie van het portret inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verweerder]. Daarmee is in een geval als het onderhavige - een onrechtmatige perspublicatie – de aanspraak op schadevergoeding wegens aantasting in de persoon in de zin van die bepaling gegeven. Het oordeel van het hof dat [verweerder] aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade is dan ook juist.
IEPT20131004, HR, Het Parool