Ontwerp sloep niet auteursrechtelijk beschermd: alle onder 4.8 genoemde elementen, met uitzondering van de trapeziumvormige achterrand van de zitting, in meer of mindere mate in het vormgevingserfgoed kunnen worden aangewezen; geen vrije creatieve keuze combinatie. Geen slaafse nabootsing: Onderscheidend vermogen en eigen plaats op de markt onvoldoende onderbouwd.Proceskosten voor helft begroot op voet van artikel 1019h Rv en voor andere helft aan hand van liquidatietarief: € 8.976.
AUTEURSRECHT – SLAAFSE NABOOTSING
Vervolg op IEPT20120504 (vzr). Loendersloot heeft in een samenwerkingsverband met het Poolse Admiral Boats mallen laten maken voor haar ‘Liberty’- en ‘Escape’-sloepen. Admiral heeft de mallen vervolgens gebruikt voor de productie van eigen sloepen onder de naam ‘Admiral’; Prins is distributeur van deze sloepen in Nederland. De vorderingen van Loendersloot, gebaseerd op auteursrechtinbreuk en slaafse nabootsing, zijn in eerste aanleg afgewezen.
Het hof oordeelt dat de op auteursrecht gebaseerde vorderingen niet toewijsbaar zijn: alle door Loendersloot genoemde kenmerkende elementen kunnen in meer of mindere mate in het vormgevingserfgoed worden aangewezen. Voor zover de exacte uitvoering van die elementen afwijkt, gaat het slechts om geringe afwijkingen. Daarbij komt dat het in overwegende mate gaat om functioneel bepaalde elementen, waarbij Loendersloot onvoldoende heeft geconcretiseerd waarin zijn subjectieve en creatieve keuzes zijn gelegen. Ook de combinatie van de elementen is geen ‘eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk’.
Er is ook geen sprake van slaafse nabootsing. Loendersloot heeft onvoldoende onderbouwd dat haar Liberty- en Escape-sloepen onderscheidend vermogen bezitten en een eigen positie op de markt innemen. Nu het uitsluitend gaat om de bescherming van de vormgeving van de sloepen, is deze vormgeving, gelet op de genoemde vormgevingselementen, niet (voldoende) onderscheidend van de rest van de markt. Dat de verworven marktpositie van Loendersloot berust op de specifieke vorm van de sloepen kan voorts niet worden afgeleid uit haar stellingen.
Het hof bevestigt dat de proceskosten in eerste aanleg aan de hand van artikel 1019h Rv moeten worden begroot, nu voldoende is toegelicht dat de werkzaamheden van de advocaat van Prins voor het overgrote deel betrekking hebben gehad op de auteursrechtelijke grondslag van de vorderingen van Loendersloot. In hoger beroep worden de proceskosten echter voor de helft aan de beweerdelijke slaafse nabootsing toegeschreven, zodat de kosten voor de helft worden begroot op de voet van artikel 1019h Rv en voor de andere helft aan de hand van het liquidatietarief: € 8.976.
IEPT20131015, Hof Arnhem-Leeuwarden, Loendersloot v Prins