Rl oneerlijke handelspraktijken verzet zich niet tegen nationale bepaling jegens krantenuitgevers
17-10-2013 Print this page
Richtlijn oneerlijke handelspraktijken verzet zich niet tegen nationaal recht dat inhoudt dat uitgever bij iedere betaalde publicatie het woord „advertentie” („Anzeige”) moet vermelden, tenzij deze publicatie door vorm en indeling algemeen herkenbaar is als reclame. Een dergelijke uitgeverspraktijk is geen handelspraktijk omdat het geen wezenlijke verstoring vormt van economisch gedrag van consumenten om de krant te verwerven of mee te nemen. In die omstandigheden beoogt de richtlijn niet een concurrent van de betrokken krantenuitgever te beschermen.
ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van de Richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen RLvS Verlagsgesellschaft en Stuttgarter Wochenblatt, betreffende de mogelijkheid RLvS te verbieden om tegen betaling advertenties in een krant te publiceren of te laten publiceren zonder dat deze de vermelding „advertentie” („Anzeige”) bevatten. Met zijn vraag wenst het Bundesgerichthof te vernemen of in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan krantenuitgevers bij elke publicatie waarvoor zij een vergoeding ontvangen, een specifieke aanduiding moeten opnemen, in casu het woord „advertentie” („Anzeige”), tenzij deze publicatie door vorm en indeling algemeen herkenbaar is als reclame. Het Hof verklaart voor recht:
In omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding is het niet mogelijk zich jegens krantenuitgevers op richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) te beroepen, zodat deze richtlijn in die omstandigheden aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan deze uitgevers bij elke publicatie waarvoor zij een vergoeding ontvangen, een specifieke aanduiding moeten vermelden, in casu het woord „advertentie” („Anzeige”), tenzij deze publicatie door vorm en indeling algemeen herkenbaar is als reclame.
Enkele overwegingen:
39 In omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding staat echter vast dat de betrokken publicaties, te weten twee artikelen met informatieve en beschrijvende redactionele inhoud, niet dienen ter verkoopbevordering van het product van de krantenuitgever, in casu een gratis krant, maar wel ter verkoopbevordering van producten en diensten van ondernemingen die geen partij in het hoofdgeding zijn.
40 Dergelijke commerciële mededelingen kunnen weliswaar eveneens als handelspraktijken worden aangemerkt, maar voor zover een rechtstreeks verband kan worden aangetoond, bestaat dat verband met de producten en diensten van deze ondernemingen, in casu, in het hoofdgeding, Scharr en Germanwings. Voorts staat vast dat RLvS niet in naam en/of voor rekening van deze ondernemingen is opgetreden, in de zin van artikel 2, sub b, van richtlijn 2005/29. Indien dit wel zo zou zijn, zou richtlijn 2005/29, rekening houdend met de personele werkingssfeer ervan, stellig bescherming bieden aan de consumenten van de producten en diensten van niet enkel deze twee ondernemingen, maar ook van hun legitieme concurrenten.
41 Aangezien de publicatie door de krantenuitgever van dergelijke artikelen, die – in voorkomend geval indirect – de producten en diensten van derden kunnen promoten, geen wezenlijke verstoring vormt van het economisch gedrag van de consument bij diens beslissing zich de betrokken krant – die overigens gratis verschijnt – te verwerven of mee te nemen (zie over dit aspect arrest Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag, punten 44 en 45), kan een dergelijke uitgeverspraktijk op zich echter niet als een „handelspraktijk”, in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, van deze uitgever worden aangemerkt.
42 In die omstandigheden beoogt de richtlijn niet een concurrent van de betrokken krantenuitgever te beschermen op grond dat laatstgenoemde artikelen heeft gepubliceerd waarin reclame wordt gemaakt voor producten of diensten van adverteerders die deze publicaties sponsoren, en waarbij deze publicaties, in strijd met § 10 LPresseG, niet met het woord „advertentie” zijn aangeduid.
49 Gelet op het feit dat de wetgever van de Unie voor de geschreven pers nog geen afgeleide wetgeving in deze zin heeft vastgesteld, blijven de lidstaten bevoegd om krantenuitgevers te verplichten lezers erop te wijzen dat redactionele inhoud gesponsord is, met inachtneming evenwel van de bepalingen van het Verdrag en met name van de bepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging.
IEPT20131017, HvJEU, RLvS v Stuttgarter Wochenblatt