Onaannemelijk dat inbreukmakende theelicht-houders na vonnis door Action zijn verkocht
13-11-2013 Print this page
Executiegeschil. Dwangsommen blijven verbeurd, ook indien in andere procedure wordt beslist dat basis voor de met dwangsom versterkte veroordeling ondeugdelijk is (bijv. beslissing van BHIM inhoudende nietigverklaring van model waarop veroordelende vonnis is gebaseerd). Op grond van bewijsmateriaal is echter onaannemelijk dat Action na het vonnis nog inbreukmakende theelichthouders (in vorm van artisjok) heeft verkocht.
EXECUTIEGESCHIL
Vervolg op IEPT20120227 (vzr). In het onderhavige kort geding vordert Action een gebod tot staking van de tenuitvoerlegging van een kortgedingvonnis van 14 december 2011. AD Inkoop heeft Action aangezegd dat zij niet aan het vonnis heeft voldaan en derhalve dwangsommen heeft verbeurd; zij stelt dat de overtreding bestaat uit de verkoop in Action filialen van in totaal 105 inbreukmakende theelichthouders (in de vorm van een artisjok). De voorzieningenrechter heeft het verweer van Action dat de gestelde verkopen grotendeels hebben plaatsgevonden in filialen die zijn ondergebracht in afzonderlijke (dochter)vennootschappen, gehonoreerd en de gevorderde staking van de executie toegewezen voor zover daarmee wordt beoogd een bedrag groter dan € 25.000 te verkrijgen.
Action betoogt nu allereerst dat de gevorderde staking moet worden bevolen, omdat AD Inkoop, door de executie voort te zetten terwijl het model waarop het veroordelende vonnis is gebaseerd inmiddels nietig is verklaard door het BHIM, misbruik van bevoegdheid maakt. Volgens vaste rechtspraak blijven dwangsommen echter ook verbeurd, indien in een andere procedure wordt beslist dat de basis voor de met een dwangsom versterkte veroordeling ondeugdelijk is. Dit geldt ook voor de beslissing van het BHIM inhoudende nietigverklaring, zodat deze grondslag niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Dat de executant aansprakelijk kan zijn uit hoofde van onrechtmatige daad indien hij executeert op een ondeugdelijk gebleken grondslag doet daaraan niet af.
Op grond van het bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van bedrijfsleiders van de betreffende filialen van Action, acht het hof voorshands aannemelijk dat de door AD Inkoop geproduceerde aankoopbonnen geen betrekking hebben op theelichthouders die in de betreffende filialen op het moment van afrekenen in de schappen stonden en te koop werden aangeboden. De incidentele grieven van Action slagen derhalve, zodat de gevorderde staking van de executie toewijsbaar is voor zover het betreft dwangsommen waarop aanspraak wordt gemaakt uit hoofde van voormelde 105 transacties. Ook ten aanzien van de twee door Action erkende verkopen in de filialen Aalsmeer en Heemskerk zijn geen dwangsommen verbeurd, nu deze verkopen hebben plaatsgevonden vanuit ondernemingen die niet door Action werden gedreven, Action geen misbruik maakt van het identiteitsverschil tussen haar en de dochtervennootschappen en er geen grond is Action met haar dochtervennootschappen te vereenzelvigen.
Het bestreden vonnis wordt derhalve vernietigd en de primaire vordering wordt alsnog geheel toegewezen. 1019h Rv proceskosten: € 15.575 (eerste aanleg) en € 42.962 (hoger beroep).
IEPT20131105, Hof Den Haag, AD Inkoop v Action