Causaal verband kwekersrechtinbreuk en gederfde inkomsten onvoldoende onderbouwd
27-11-2013 Print this page
Schadestaatprocedure. X heeft zijn voorgestane methode van schadeberekening onvoldoende onderbouwd: niet aannemelijk dat causaal verband bestaat tussen inbreuk door Rooijakkers op zijn kwekersrechten en gederfde inkomsten, doordat hij ten gevolge van inbreuk niet businessmodel kon hanteren dat hij anders had kunnen hanteren. Rechtbank volgt de onbestreden alternatieve berekening door Rooijakkers van inkomensderving van X en stelt vast dat X ten gevolge van inbreuk geen inkomsten heeft gederfd die als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Rooijakkers moet wel buitengerechtelijke kosten (€ 17.799) en passende vergoeding in zin van artikel 95 GKwV (€ 1.817) betalen. X wordt veroordeeld in 1019h Rv proceskosten van € 66.640,40.
KWEKERSRECHT - SCHADESTAATPROCEDURE
Zie ook IEPT20080227 (rb) en IEPT20101124 (vonnis in incident). Bij vonnis van 27 februari 2008 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat vermeerdering en/of verhandeling door Rooijakkers van Double Price en/of Double Pleasure lelies inbreuk oplevert op het Gemeenschapskwekersrecht ter zake Miss Lucy (lelie) en een onrechtmatige daad vormt jegens X. Voorts is Rooijakkers veroordeeld tot vergoeding van de door X geleden schade ten gevolge van de inbreuk, nader op te maken bij staat. Het hof heeft dit vonnis grotendeels bekrachtigd. De onderhavige procedure vormt bedoelde schadestaatprocedure.
X stelt dat zijn schade onder meer bestaat uit gederfde inkomsten, doordat hij ten gevolge van de inbreuk bij de introductie van het ras in 2003 niet het businessmodel kon hanteren dat hij anders had kunnen hanteren. X heeft echter het gestelde causaal verband tussen de inbreuk van Rooijakkers en deze schade niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Niet aannemelijk is geworden dat X het gestelde businessmodel zou hebben toegepast bij Miss Lucy als de inbreuk niet was gepleegd en dat er een causaal verband bestaat tussen de inbreuk en het niet toepassen van het businessmodel. Dit betekent dat de door X voorgestane methode van schadeberekening, die gebaseerd is op het businessmodel, niet kan worden gevolgd.
Rooijakkers heeft in een door PWC opgemaakt rapport een alternatieve berekening gemaakt van de inkomensderving van X, waarbij wordt uitgegaan van het aantal bollen die door Rooijakkers zijn verkocht en berekend is welke extra inkomsten X zou hebben gehad als X de door Rooijakkers verhandelde bollen had kunnen verkopen. Deze berekening is, op het betoog na dat PWC ten onrechte het businessmodel niet als uitgangspunt heeft genomen, onbestreden gelaten, zodat de rechtbank deze berekening volgt en vaststelt dat X ten gevolge van de inbreuk geen inkomsten heeft gederfd die als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Dat er sprake is van imagoschade heeft X in het geheel niet concreet gemaakt: welke negatieve publiciteit er concreet heeft plaatsgevonden en waarom die toerekenbaar zou zijn aan Rooijakkers is niet gemotiveerd. Rooijakkers dient wel de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 17.799 en een passende vergoeding als bedoeld in artikel 95 GKwV, ter hoogte van € 1.817, betalen, derhalve in totaal € 19.616. X zal als de in deze procedure overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de schadestaatprocedure en het incident, conform 1019h Rv: € 66.640,40.
IEPT20131113, Rb Den Haag, Rooijakkers