Voorlopig getuigenverhoor ter zake openbaarmaking beschuldigende documentaire

05-12-2013 Print this page
IEPT20131113, Rb Midden-Nederland, De Roestige Spijker

Verzoek tot houden van voorlopig getuigenverhoor (artikel 186 Rv), betreffende (voorgenomen verdere) openbaarmaking van documentaire waarin beschuldigingen worden geuit jegens verweerder, toegewezen: de Stichting is belanghebbende en maakt geen misbruik van haar bevoegdheid.

PUBLICATIE – PROCESRECHT

De Stichting De Roestige Spijker heeft een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als bedoeld in artikel 186 Rv, ingediend. Het verzoek van de Stichting heeft betrekking op de (voorgenomen verdere) openbaarmaking van een documentaire, waarin beschuldigingen worden geuit jegens verweerder (een voormalig secretaris-generaal op het ministerie van V&J). In de kern gaat het om verdenkingen van herhaald gepleegd ontucht met dan wel seksueel misbruik van minderjarige jongens. De Stichting wenst de documentaire openbaar te maken en onder de aandacht van het Nederlands publiek te brengen via internet en televisie. In dat kader wenst de Stichting meer duidelijkheid te verkrijgen over haar (proces)positie in een eventuele (door de Stichting of door verweerder aan te spannen) juridische procedure. De Stichting wenst onder meer de getuigen te horen die in de betreffende documentaire aan het woord komen.

Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank Midden-Nederland is bevoegd kennis te nemen van het verzoek, nu de publicatie in heel Nederland plaats zal vinden en op grond van artikel 102 Rv en jurisprudentie ten aanzien van artikel 5(3) EEX-Vo deze rechtbank bevoegd zal zijn van de bodemzaak kennis te nemen. Voorts geldt dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel wordt toegewezen, tenzij de verzoeker onvoldoende belang heeft bij het verzoek, het verzoek in strijd is met een goede procesorde, de bevoegdheid wordt misbruikt, of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

De Stichting is aan te merken als belanghebbende: de Stichting is namelijk voornemens een procedure jegens verweerder aanhangig te maken, althans zij wenst haar kansen in een dergelijke procedure in te schatten, en de Stichting heeft ook gegronde vrees dat verweerder zelf juridische stappen zal ondernemen tegen het verder verspreiden van de documentaire. Voorts bestaat naar het oordeel van de rechtbank tussen het belang van verweerder (persoonlijke integriteit) en het belang van de Stichting (duidelijkheid over de vraag of het openbaar maken van de documentaire onrechtmatig is) niet een zodanige onevenredigheid dat de Stichting in redelijkheid niet tot toepassing van haar bevoegdheid kan overgaan. Dat de Stichting haar bevoegdheid enkel gebruikt om de persoonlijke integriteit van verweerder te schaden, is onvoldoende gebleken.


IEPT20131113, Rb Midden-Nederland, De Roestige Spijker