Bevoegdheidsregels van EEX-Vo prevaleren boven die van BVIE (posterieur verdrag)
16-01-2014 Print this page
Internationale jurisdictie. Bevoegdheidsregels EEX-Vo prevaleren boven BVIE: BVIE heeft te gelden als posterieur verdrag. Rb Dordrecht ex artikel 5(3) EEX-Vo niet-grensoverschrijdend bevoegd om kennis te nemen van auteursrechtelijke vorderingen (tot schadevergoeding) tegen H&M AB. Rb Dordrecht ook bevoegd kennis te nemen van verbodsvorderingen inzake auteursrecht en slaafse nabootsing tegen H&M AB. Iedere rechter lidstaat waar beweerde schade kan intreden niet-grensoverschrijdend bevoegd om kennis te nemen van merkenrechtelijke vorderingen met betrekking op (dreigende) inbreuk via internet (artikel 5(3) EEX-Vo). Nederlandse rechter bevoegd met betrekking tot merkenrechtelijke vorderingen tegen H&M B.V. (artikel 2 EEX-Vo).
PROCESRECHT - IPR
Bodemprocedure. Bevoegdheidsincident. Eindarrest na IEPT20111011 (tussenarrest). Bij tussenvonnis van 27 oktober 2010 heeft de rechtbank Dordrecht zich bevoegd verklaard om van de vorderingen jegens H&M kennis te nemen. Vervolgens heeft zij, bij vonnis van 24 november 2010, H&M toegestaan om van dit tussenvonnis tussentijds hoger beroep in te stellen en iedere verdere beslissing aangehouden. H&M vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de rechtbank onbevoegd verklaart tot kennisneming van de vorderingen van G-Star. Het hof bekrachtigt het tussenvonnis.
De rechtbank Dordrecht is bevoegd om ex artikel 5(3) EEX-Vo niet-grensoverschrijdend kennis te nemen van de auteursrechtelijke vorderingen (tot schadevergoeding) tegen H&M AB: het door G-Star ingeroepen auteursrecht wordt in Nederland beschermd en in ieder geval ten tijde van de inleidende dagvaarding was sprake van dreiging dat de litigieuze spijkerbroeken kunnen worden aangeschaft via de website van H&M, welke website ook toegankelijk is in het arrondissement van de rechtbank Dordrecht. Ten aanzien van de verbodsvordering ter zake auteursrecht en slaafse nabootsing is de rechtbank ook bevoegd. Op grond van het HvJEU-arrest Wintersteiger en het arrest van de HR in de kortgedingprocedure tussen dezelfde partijen moet aangenomen worden dat wanneer een inbreuk via een website wordt aangevoerd op aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten die worden gewaarborgd door de lidstaat van de aangezochte rechter, deze ook bevoegd is kennis te nemen van een door de auteur van een werk ingeleide verbodsvordering tegen een in een andere lidstaat gevestigde verweerder indien die website ook toegankelijk is in het rechtsgebied van de aangezochte rechter.
Ten aanzien van de bevoegdheid om kennis te nemen van de merkenrechtelijke vorderingen van G-Star stelt het hof voorop dat zich in het onderhavige geval samenloop van de EEX-Vo en BVIE voordoet. Aangenomen moet worden dat het BVIE, ook al is dit verdrag inhoudelijk een voortzetting van de vroegere Benelux-regelingen en ook al zijn de desbetreffende bevoegdheidsregelingen identiek, heeft te gelden als een posterieur verdrag zodat artikel 4.6 BVIE niet kan worden aangemerkt als bijzondere regeling in de zin van artikel 71 EEX-Vo. Dat betekent dat de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening, voor zover die regeling in materieel, formeel en temporeel opzicht van toepassing is, prevaleert boven artikel 4.6 BVIE.
Het hof stelt voorts vast dat op grond van de Pinckney- en Wintersteiger-arresten iedere rechter in wiens rechtsgebied de beweerde schade kan intreden ex artikel 5(3) EEX-Vo niet-grensoverschrijdend bevoegd is kennis te nemen van merkenrechtelijke vorderingen met betrekking tot (dreigende) inbreuk via internet. De rechtbank Dordrecht is derhalve bevoegd ter zake de vorderingen jegens H&M AB, gebaseerd op het Beneluxmerkrecht van G-Star. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 2 EEX-Vo ook bevoegd ten aanzien van de merkenrechtelijke vorderingen jegens H&M B.V.
IEPT20131126, Hof Den Haag, H&M v G-Star