Prejudiciële vragen: erkenning buitenlands vonnis dat strijdig is met EU recht?

24-12-2013 Print this page
IEPT20131220, HR, Diageo v Simiramida

Prejudiciële vragen – Kan de openbare orde exceptie van art. 34 sub 1 EEX-Vo worden ingeroepen om de erkenning van een buitenlands vonnis dat evident in strijd is met het Unierecht te weigeren?

PROCESRECHT – IPR 

Vervolg op IEPT20120605 (hof). In het onderhavige geding heeft Simiramida gevorderd dat Diageo wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van ruim tien miljoen euro op grond van onrechtmatig handelen van Diageo, bestaande in de handhaving van haar merkrecht in Bulgarije. In dit verband heeft Simiramida de erkenning ingeroepen van het vonnis van de rechtbank te Sofia van 11 januari 2010, waarin is beslist dat geen sprake is van merkinbreuk. De rechtbank te Sofia heeft te kennen gegeven zich niet inhoudelijk in de merkenrechtelijke kwestie te verdiepen, omdat zij zich gebonden achtte aan een interpretatieve beslissing van de Bulgaarse Hoge Raad van 15 juni 2009. In deze interpretatieve beslissing is geoordeeld dat de import van producten in Bulgarije die met toestemming van de merkhouder buiten de EER in het verkeer zijn gebracht, geen inbreuk op de Bulgaarse merkrechten oplevert.

Het hof heeft het beroep van Diageo op de weigeringsgrond van artikel 34(1) EEX-Vo (de openbare orde-exceptie) verworpen en besloten dat het Bulgaarse vonnis op de voet van de EEX-Vo in aanmerking komt voor erkenning in Nederland. De onjuiste toepassing van het (Europese) recht is – naar vaste rechtspraak van het HvJEU –geen grond voor toepassing van deze exceptie, aangezien anders het doel van de EEX-Vo zou worden doorkruist. De Hoge Raad meent echter dat er redelijkerwijs twijfel kan bestaan over de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval toepassing van de weigeringsgrond van artikel 34(1) EEX-Vo gerechtvaardigd is en vindt daarin aanleiding om de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU voor te leggen:

7 Vragen van uitleg
De vragen van uitleg van Unierecht waarvan de Hoge Raad, blijkens het hiervoor in 5.2-5.4 overwogene, beantwoording door het HvJEU nodig acht voor zijn beslissing op het cassatieberoep, zijn de volgende:

1. Moet art. 34, aanhef en onder 1, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat deze weigeringsgrond mede ziet op het geval waarin de beslissing van de rechter van de lidstaat van herkomst evident in strijd is met het Unierecht, en dit door die rechter is onderkend?

2 (a). Moet art. 34, aanhef en onder 1, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat aan een geslaagd beroep op deze weigeringsgrond de omstandigheid in de weg staat dat de partij die zich op deze weigeringsgrond beroept, heeft nagelaten om in de lidstaat van herkomst van de beslissing de aldaar beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden?

2 (b). Indien het antwoord op vraag 2 (a) bevestigend luidt, wordt dit anders indien het aanwenden van rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst van de beslissing zinloos was, omdat moet worden aangenomen dat dit niet tot een andere beslissing zou hebben geleid?

3. Moet art. 14 van Richtlijn 2004/48/EG aldus worden uitgelegd dat deze bepaling mede ziet op de kosten die partijen maken in het kader van een geding in een lidstaat tot schadevergoeding, indien de vordering en het verweer betrekking hebben op de beweerde aansprakelijkheid van de verwerende partij wegens beslagen die zij heeft gelegd en aanzeggingen die zij heeft gedaan ter handhaving van haar merkrecht in een andere lidstaat, en in dat verband een vraag rijst naar de erkenning in eerstgenoemde lidstaat van een beslissing van de rechter van laatstgenoemde lidstaat?

IEPT20131220, HR, Diageo v Simiramida