Geen schorsing van executie van verbod op Ariel Pods wegens octrooi-inbreuk

25-02-2014 Print this page
IEPT20131231, Rb Rotterdam, P&G v Unilever

Geen schorsing van executie van verbod op Ariel Pods wegens octrooi-inbreuk: geen sprake van juridische en/of feitelijke misslag, doordat vonnis onvoldoende (volledig) gemotiveerd is of doordat voorzieningenrechter aan bepaalde passages in pleitnotities van P&G zou zijn voorbijgegaan. Executiegeschil mag niet gaan werken als verkapt appel.

EXECUTIEGESCHIL

Zie ook IEPT20131219 (vzr), waarin is geoordeeld dat P&G met haar Ariel Pods inbreuk maakt op het octrooi van Unilever voor een ‘Water soluble package’. P&G heeft het hof Den Haag om turbo spoedappel verzocht. P&G vordert in het onderhavige geding de executie van voornoemd vonnis in kort geding te schorsen, totdat het hof Den Haag in het hoger beroep arrest zal hebben gewezen.

P&G stelt dat er sprake is van een juridische en/of feitelijke misslag, nu de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in het vonnis van 19 december 2013 haar alomvattende verweer dat het octrooi van Unilever nietig is wegens gebrek aan nieuwheid, niet heeft behandeld of beoordeeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat hiervan geen sprake is: noodzakelijk hiervoor is dat geen redelijk denkend jurist kan twijfelen aan de onjuistheid van de verwerping van het verweer van P&G. Blijkens hetgeen is overwogen in het bedoelde vonnis is door de Haagse voorzieningenrechter stilgestaan bij het niet-nieuwheidsverweer van P&G en mag ervan worden uitgegaan dat de voorzieningenrechter de inhoud van alle aldaar opgesomde processtukken in zijn beoordeling heeft betrokken (en dus ook de in de diverse processtukken opgenomen weren van P&G). Gelet op de beperkte rol van de executierechter en de beperkte reikwijdte van dit kort geding zal de juistheid van hetgeen in het vonnis daarover is overwogen worden aangenomen.

De stelling dat sprake zou zijn van een feitelijke misslag in het vonnis doordat de Haagse voorzieningenrechter aan bepaalde passages in de pleitnotities van P&G zou zijn voorbijgegaan, kan dus niet worden aanvaard. Dat sprake zou zijn van een evidente juridische misslag, doordat het vonnis onvoldoende (volledig) gemotiveerd is, kan evenmin worden gevolgd. Geen sprake is van een evidente, zó in het oog springende vergissing in het recht dat daarover, zonder nader (inhoudelijk) onderzoek, geen redelijke twijfel kan bestaan. De vordering wordt afgewezen; Unilever is gerechtigd tot onverminderde tenuitvoerlegging van het vonnis.

Een executiegeschil mag overigens niet gaan werken als een verkapt appel:

4.10 [...] Dit vraagt een volledig inhoudelijke toets van het octrooirecht (welke toets in de in artikel 80 van de Rijksoctrooiwet 1995 genoemde gevallen voorbehouden is aan de rechtbank Den Haag). De Rotterdamse voorzieningenrechter wordt in feite gevraagd opnieuw te oordelen over het in Den Haag door een voorzieningenrechter gespecialiseerd in het octrooirecht reeds besliste octrooigeschil, teneinde te kunnen beslissen over de toewijsbaarheid van de thans ingestelde vordering in dit executiegeschil. De voorzieningenrechter dient zich, gelet op het onder 4.2 genoemde toetsingskader, te onthouden van het geven van een dergelijk inhoudelijk oordeel (dan wel van het geven van een prognose van de uitkomst van de reeds door P&G c.s. in Den Haag aangebrachte appelprocedure). De ratio hiervan is dat voorkomen wordt dat een executiegeschil gaat werken als een verkapt appel, doordat de voorzieningenrechter, aan wie in executiegeschillen slechts een uiterst terughoudende rol toekomt, opnieuw moet oordelen over het in de te executeren titel reeds besliste geschil. Dit geldt temeer nu het gaat om de, zoals door beide partijen ook bepleit, specialistische en complexe materie van het (technische) octrooirecht. Feitelijk komt het naar het oordeel van deze voorzieningenrechter erop neer dat P&G c.s. in deze (deels) tracht een verkapt appelprocedure te voeren, waarvoor een kort gedingprocedure zich niet leent.

IEPT20131231, Rb Rotterdam, P&G v Unilever