Distributie van afbeeldingen mogelijk voldoende voor kennisname van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel door ingewijden
14-02-2014 Print this page
Distributie van afbeeldingen van een model onder handelaars in betrokken sector in Unie kan voldoende zijn voor kennisname van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel door ingewijden. Mogelijk geen kennisname door ingewijden in betrokken sector, wanneer model beschikbaar is gesteld aan slechts één onderneming of louter is voorgesteld in tentoonstellingsruimte van onderneming buiten Unie. Bewijslast ter zake van namaak van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel rust op modelhouder. Nationaal recht van toepassing op bewijslevering, Verjarings- en verval van rechtsverweren tegen verbodsvordering op grond van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, alsmede vorderingen tot vernietiging van inbreukmakende modellen (lex loci protectionis). Vorderingen met betrekking schadevergoeding vallen onder nationaal recht van de rechtbank waarbij zaak is ingeleid (lex fori)
MODELRECHT
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de Gemeenschapsmodellenverordening en is ingediend in het kader van een geding tussen Gautzsch Großhandel en MBM Joseph Duna, betreffende een door laatstgenoemde ingestelde vordering wegens inbreuk op haar niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel ter zake van een tuinpaviljoen. Het Hof verklaart voor recht:
1) Artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, wanneer afbeeldingen van dit model zijn gedistribueerd aan handelaars die actief zijn in deze sector, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen op basis van de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.
PROCESRECHT - IPR
2) Artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model, hoewel het zonder een uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan derden is bekendgemaakt, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, wanneer het slechts voor één enkele onderneming beschikbaar is gesteld of louter is voorgesteld in de tentoonstellingsruimten van een onderneming die buiten het grondgebied van de Unie is gevestigd, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen, rekening houdend met de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.
3) Artikel 19, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de houder van het beschermde model staat om het bewijs te leveren dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van dit model. Indien de rechtbank voor het gemeenschapsmodel echter vaststelt dat het feit dat de bewijslast op deze houder van het beschermde model rust, het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken om dit bewijs te leveren, dient zij, teneinde de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, gebruik te maken van alle procedurele middelen die haar door het nationale recht ter beschikking worden gesteld om die moeilijkheid te ondervangen, daaronder begrepen een eventuele toepassing van de regels van het nationale recht die de bewijslast aanpassen of minder zwaar maken.
4) De verjaring en het verval van recht die als verweermiddel aan de krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 ingestelde vordering kunnen worden tegengeworpen, vallen onder het nationale recht, dat met eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid moet worden toegepast.
5) Artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat de vorderingen tot vernietiging van de inbreukmakende voortbrengselen worden geregeld door het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht. De vorderingen strekkende tot vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit de activiteiten van degene die deze handelingen heeft gesteld en strekkende tot verkrijging van informatie over deze activiteiten teneinde die schade te kunnen bepalen, vallen overeenkomstig artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 onder het nationale recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij de zaak is ingeleid.
IEPT20140213, HvJEU, Gautzsch v Joseph Duna