Geen exhibitie: onvoldoende aannemelijk dat sprake is van (dreigende) inbreuk op kwekersrecht

19-03-2014 Print this page
IEPT20140225, Hof Den Bosch, Novisem v AIB
(Met dank aan Ernst-Jan Louwers, Louwers IP|Technology Advocaten)

Geen exclusieve bevoegdheid Rb Den Haag ex artikel 78 ZPW bij (zelfstandig ingestelde) exhibitievordering in kwekerszaak. Spoedeisend belang bij gevorderde exhibitie: reeds aanhangige bodemprocedure is stilgelegd in afwachting van beslissing hierover in dit kort geding. Maatstaf voor toewijzing van exhibitie in IE-zaken is “het voldoende aannemelijk maken van een (dreigende) inbreuk”. Exhibitie ex artikel 1019a jo. 843a Rv afgewezen, nu onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van (dreigende) inbreuk op kwekersrecht: geen verhandeling in Nederland of invoer in of uitvoer vanuit Nederland; enkele toesturen van prijslijst (vanuit Nederland) of opwekken van interesse (in gesprek in Nederland) is geen aanbieden in Nederland. Matiging 1019h Rv-proceskosten op grond van Indicatietarieven in IE-zaken in eerste aanleg toegestaan, nu Novisem niet op alle punten in gelijk is gesteld.

KWEKERSRECHT - PROCESRECHT

Vervolg op IEPT20130425 (vzr). AIB is een vereniging die de belangen van zaad- en plantveredelaars behartigt, en treedt namens Bejo en Nunhems op jegens Novisem. Zowel Bejo als Nunhems is rechthebbende op de kwekersrechten voor bepaalde rassen knolselderij (Diamant, Brilliant en Prinz). In opdracht van AIB is onder Novisem conservatoir bewijsbeslag gelegd. De voorzieningenrechter heeft de door AIB gevorderde inzage in en afschrift van de inbeslaggenomen bescheiden en door de deurwaarder gemaakte foto’s afgewezen en in reconventie de opheffing van het bewijsbeslag bevolen. De grief in principaal appel van Novisem heeft betrekking op de (matiging van de) proceskosten. In incidenteel appel heeft AIB haar eis gewijzigd en verminderd.

Naar het oordeel van het hof staat de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in zaken van schending van het kwekersrecht (artikel 78 ZPW) niet eraan in de weg dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg de onderhavige en zelfstandig ingestelde exhibitievordering beoordeelt. Een dergelijke exhibitievordering kan namelijk niet worden aangemerkt als vordering in de zin van artikel 70 en 71 ZPW. Daarmee is ook de bevoegdheid van het hof Den Bosch gegeven. Het spoedeisend belang bij de vorderingen van AIB is gelegen in het feit dat de reeds bij de rechtbank Den Haag aanhangige bodemprocedure is stilgelegd in afwachting van een beslissing in dit kort geding.

In de gevallen als de onderhavige, waarin de gestelde rechtsbetrekking/het rechtmatig belang ligt in het voorkomen of stoppen van een (dreigende) inbreuk op een IE-recht, is de maatstaf voor toewijzing van exhibitie in de zin van artikel 834a Rv ‘het voldoende aannemelijk maken van een (dreigende) inbreuk’. AIB heeft echter niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van een (dreigende) inbreuk door Novisem op de kwekersrechten ten aanzien van enkele rassen knolselderij: er is geen sprake van verhandeling van de betreffende zaden in Nederland (wel in de rest van Europa) of van invoer in of uitvoer vanuit Nederland. Het enkele toesturen van een prijslijst, met daarop onder meer de zaden van de beschermde rassen, vanuit Nederland of het opwekken van interesse (in een gesprek in Nederland) zal mede gelet op de overige omstandigheden (het feit dat Novisem in en vanuit het buitenland geoorloofd handelt en dat zij heeft gewezen op het bestaan van het kwekersrecht in Nederland) door de bodemrechter niet worden gekwalificeerd als inbreuk.

De grief van Novisem tegen de matiging van de proceskosten slaagt evenmin: de voorzieningenrechter heeft de proceskosten kunnen matigen conform de Indicatietarieven in IE-zaken, omdat Novisem niet op alle punten in het gelijk is gesteld. Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis waarvan beroep.

IEPT20140225, Hof Den Bosch, Novisem v AIB