Mededeling aan nieuw publiek in kuurinrichting - Vrijstelling voor kuuroorden ongeoorloofd
28-02-2014 Print this page
Mededeling aan nieuw publiek in kuurinrichting. Vrijstelling voor mededelingen aan het publiek in kuurinrichtingen in strijd met Auteursrechtrichtlijn. Geen rechtstreekse werking Auteursrichtlijn in verhouding tussen beheersorganisatie en particulieren, maar nationale rechter dient zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen. Beheersorganisatie moet beschouwd worden als verrichter van een dienst ten behoeve van gebruiker van beschermde werken (kuurinrichting). Collectief beheer van auteursrechten in lidstaat toekennen aan één collectieve beheersorganisatie niet in strijd met EU-recht. Aanwijzing misbruik machtspositie indien beheersorganisatie tarieven oplegt die aanzienlijk hoger zijn dan in andere lidstaten, dan wel prijzen hanteert die te hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie
AUTEURSRECHT
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen OSA, een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten op muzikale werken, en Léčebné lázně, een vennootschap die een particuliere gezondheidszorginstelling (kuurinrichting) beheert, over de betaling van vergoedingen uit hoofde van auteursrechten in verband met de beschikbaarstelling van televisie- en radio-uitzendingen in de kamers van de instelling.
Het Hof oordeelt allereerst dat er sprake is van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3(1) van de Auteursrechtrichtlijn, wanneer de exploitant van een kuurinrichting zijn patiënten toegang verschaft tot werken die via televisie- of radioapparaten worden uitgezonden, doordat deze exploitant het ontvangen signaal in hun kamers verspreidt. Het gaat immers om een uitzending van beschermde werken aan, zowel tegelijkertijd als achtereenvolgens, een onbepaald maar vrij groot aantal personen. Net als gasten van een hotel vormen de patiënten van een kuurinrichting een nieuw publiek: zonder tussenkomst van de kuurinrichting zouden deze patiënten in beginsel niet van het uitgezonden werk kunnen genieten.
Nu het gaat om een mededeling aan het publiek dient de nationale regeling te voorzien in een uitsluitend recht voor de auteurs om die betreffende mededeling toe te staan of te verbieden. Artikel 3 Auteursrechtrichtlijn verzet zich dan ook tegen een regeling van een lidstaat die het recht van auteurs uitsluit om de mededeling – door een kuurinrichting die handelt als een commerciële onderneming – van hun werken middels het bewust verspreiden van een signaal via radio of –televisieontvangers in de kamers van de patiënten van die inrichting, toe te staan of te verbieden. Artikel 5(2)(e), (3)(b) en (5) van de richtlijn doen hieraan niet af. Een beheersorganisatie, zoals OSA, kan zich echter in een geding tussen particulieren niet op deze bepaling beroepen voor het buiten toepassing laten van een daarmee strijdige regeling van de lidstaat. De rechter aan wie een dergelijk geschil is voorgelegd, moet deze wettelijke regeling evenwel zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en doelstelling van diezelfde bepaling, om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel.
Het Hof oordeelt vervolgens dat een beheersorganisatie als OSA moet worden beschouwd als de verrichter van een dienst (zowel in de zin van de Dienstenrichtlijn als van het VWEU), niet alleen ten behoeve van een auteursrechthebbende maar ook ten behoeve van een gebruiker van beschermde werken, in casu de kuurinrichting. Een dergelijke organisatie maakt het namelijk voor de gebruiker gemakkelijker om toestemming te verkrijgen voor het gebruik van beschermde werken en om betaling te verkrijgen van de hiervoor verschuldigde vergoedingen.
Artikel 16 van de Dienstenrichtlijn en de artikelen 56 en 102 VWEU staan niet in de weg aan de toepassing van een regeling van een lidstaat, die het collectieve beheer van auteursrechten met betrekking tot bepaalde beschermde werken op het grondgebied van deze lidstaat voorbehoudt aan één collectieve beheersorganisatie en daardoor de gebruiker van beschermde werken verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die gevestigd is in een andere lidstaat. In de huidige stand van het Unierecht bestaat namelijk geen andere methode om hetzelfde niveau van bescherming van auteursrechten te bereiken, dan de methode die gebaseerd is op een gebiedsgebonden bescherming van en dus ook gebiedsgebonden toezicht op die rechten. De voornoemde regeling gaat niet verder dan met het oog op het doel van bescherming van de auteursrechten noodzakelijk is. Ook het enkele feit dat een lidstaat aan een beheersorganisatie voor het beheer van auteursrechten met betrekking tot een categorie van beschermde werken een monopolie verleent, is op zichzelf niet in strijd met artikel 102 VWEU (misbruik van machtspositie).
Het feit dat een dergelijke beheersorganisatie voor de door haar geleverde diensten tarieven oplegt die – bij een vergelijking van de tariefniveaus op homogene grondslag – aanzienlijk hoger zijn dan die welke worden gehanteerd in de andere lidstaten, dan wel prijzen hanteert die te hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie, is wel een aanwijzing voor een misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU vormt. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of hiervan sprake is.