Inbreukvordering aangehouden tot eindbeslissing in opeisingszaak

19-05-2014 Print this page
IEPT20140422, Hof Den Haag, Ferring v Allergan

Afsplitsingsvordering ontvankelijk (geen ne bis in idem): in tussenarrest afgewezen incidentele vordering heeft niet zelfde strekking als thans voorliggende  incidentele ‘splitsings’-vorderingen tot latere behandeling van inbreuksvordering. Inbreukvordering aangehouden tot eindbeslissing (die niet in kracht van gewijsde hoeft te gaan) in opeisingzaak: kan niet van Ferring worden verwacht nietigheid van octrooi te bepleiten, zolang niet is vastgesteld dat zij niet enige rechthebbende daarop is. Provisionele opeisings- en inbreukvordering (artikel 223 Rv) afgewezen: afstemming met vonnis bodemzaak, waarin opeisings- en inbreukvordering is afgewezen. 

 

OCTROOIRECHT - PROCESRECHT

 

Splitsingsincident met betrekking tot een octrooi voor een lage dosering desmopressine. Zie ook IEPT20130723 (tussenarrest hof) en IEPT20120613 (rb). Ferring vordert afsplitsing van de inbreukvorderingen, zodat zonder deze vorderingen verder zal worden geprocedeerd. Ferring wordt namelijk gelijktijdig te worden aangesproken voor inbreuk op het octrooi, waar zij in de opeisingsprocedure van stelt octrooihouder te zijn, waardoor in een positie zou worden gebracht dat zij zich moet verdedigen tegen haar eigen octrooi.

 

De door Allergan op het ne bis in idem gestoelde conclusie tot niet-ontvankelijkheid van de vordering van Ferring wordt afgewezen, omdat de in tussenarrest afgewezen incidentele vordering niet dezelfde strekking heeft als de thans voorliggende incidentele ‘splitsings’-vorderingen. Hiermee wordt immers niet de niet-ontvankelijkverklaring van Allergan in haar inbreukvordering, maar slechts de latere behandeling daarvan beoogd. Volgens het hof kan niet van Ferring worden verwacht dat zij de nietigheid van het octrooi moet bepleiten, zolang niet is vastgesteld dat zij niet de enige rechthebbende op het octrooi is. Hier tegenover staat dat Allergan er belang bij heeft dat de inbreukvorderingen niet te zeer op de lange baan wordt geschoven, waardoor het hof besluit de inbreukvordering aan te houden totdat het hof in de opeisingszaak een eindbeslissing heeft genomen. Omdat dit op grond van artikel 83 (3) ROW mogelijk is, wordt de zaak niet in enge zin opgesplitst en wordt de incidentele vordering in zoverre afgewezen.

 

Allergan heeft in deze zaak bij wege van vermeerdering van eis, voorwaardelijk, een provisionele vordering (artikel 223 Rv) ingesteld die gelijkluidend is aan haar inbreukvorderingen in de hoofdzaak, met dien verstande dat daarop bij voorlopige voorziening wordt beslist. Ferring stelt dat Allergan hierbij geen rechtens te respecteren belang heeft, omdat de rechtbank de opeisings- en inbreukvorderingen heeft afgewezen. Het hof wijst de provisionele vordering af, op grond van de afstemmingsregel, die volgens het hof ook bij een vordering als bedoeld in artikel 223 Rv geldt. Allergan heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld, waardoor de afstemmingsregel geen toepassing moet vinden. 

 

IEPT20140422, Hof Den Haag, Ferring v Allergan