Vermelden volledige naam appellant in publicaties over faillissementsfraude onrechtmatig

IEPT20140610, Hof Amsterdam, Hearst Magazines

Print pagina
IEPT20140610, Hof Amsterdam, Hearst Magazines

Noemen van volledige naam in publicaties over betrokkenheid appellant bij faillissementsfraude onrechtmatig: onvoldoende noodzakelijk en geen redelijk belang gezien schade voor appellant. Geen enkele rechtvaardiging voor vermelden volledige naam appellante in tweede artikel Quote: onnodig en pesterig, gezien extra aandacht die op appellant wordt gevestigd en tot extra schade geleid.

 

PUBLICATIE

 

Tussenarrest. Zie ook IEPT20120307 (rb). Hearst Magazines heeft in een tweetal artikelen over de (mogelijke) betrokkenheid van appellant bij een omvangrijke fraude zaak de volledige naam van appellant gepubliceerd. De zaak gaat er niet om of het artikel zelf rechtmatig was, maar alleen of het vermelden van zijn naam rechtmatig was. Ook speelt de vraag of het vermelden van de volledige naam in een biografie van Uitgeverij Prometheus onrechtmatig was. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vermelden van de volledige naam niet onrechtmatig was. De grieven worden grotendeels toegewezen.

 

Ten aanzien van het vermelden van de volledige naam in de biografie wordt geoordeeld dat appellant slechts stelt dat hij schade heeft geleden, maar niet aannemelijk maakt op welke wijze dat is gebeurd. De grieven worden daarom afgewezen.

 

Het vermelden van de volledige naam in de artikelen van Quote is wel onrechtmatig. Het noemen van de naam van appellant was in verband met het openbaar maken van de misstand  onvoldoende noodzakelijk en diende daarom, gelet op de schade die voor appellant daardoor zou kunnen ontstaan, geen redelijk belang. De vermelding van de naam van appellant was daarom een disproportionele aantasting van diens privacy. Het hof overweegt ten slotte dat Quote in de eerdere publicatie nog (onterecht) had kunnen stellen dat de publicatie van de volledige naam in verband met de misstand gerechtvaardigd was, dit in het latere artikel niet het geval was. In dat artikel wordt niet alleen herhaald dat appellant verdacht is van faillissementsfraude, maar wordt benadrukt dat appellant de persoon in kwestie is, waardoor extra aandacht op hem wordt gevestigd. De rechtbank heeft deze uitlatingen terecht als “onnodig en pesterig” aangemerkt. Ook heeft de publicatie zonder twijfel geleid tot extra schade. De zaak wordt aangehouden. Partijen krijgen de mogelijkheid om een minnelijke regeling te treffen.

 

IEPT20140610, Hof Amsterdam, Hearst Magazines

(ECLI-versie)