Dreiging inbreuk op Postbike merk, gezien aankondiging ter zitting om voorraad in toekomst te verkopen

18-06-2014 Print this page
IEPT20140617, Rb Rotterdam, Postbike v DBG

Postbike 2013 merk niet louter beschrijvend, wegens ongebruikelijke combinatie “post” en “bike”. Geen depot te kwader trouw, wegens voor-voorgebruik van rechtsvoorgangers Postbike. Geen (merk)inbreuk in het verleden, gezien verkoop fietsen vóór inschrijving Postbike 2013 merk en geen wanprestatie. Wel dreiging van toekomstige inbreuk, gezien aankondiging DBG ter zitting om in toekomst voorraad Postbike fietsen aan derden te verkopen. Geen misbruik van recht/onrechtmatig handelen, gezien situatie die lijkt op licentieverhouding. Reputatieschade wegens slechte accu’s in elektrische fietsen onvoldoende onderbouwd.

 

MERKENRECHT – HANDELSNAAMRECHT – ONRECHTMATIGE DAAD

 

Kort geding. In april 2014 zijn de activiteiten van Postbike B.V., inclusief het Post Bike 2013 merk, overgedragen aan eiser Postbike. DBG was de producent van de Postbike fietsen voor de rechtsvoorgangers van Postbike B.V. (PostNL). Postbike stelt dat DBG inbreuk maakt op haar merkenrechten, wanprestatie pleegt en onrechtmatig jegens haar handelt wegens inbreuk op haar handelsnaam en het verkopen van elektrische fietsen met slechte accu’s.

 

Het verweer van DBG dat het Postbike merk 2013 nietig is wordt niet gevolgd door de voorzieningenrechter. Het woordelement is niet louter beschrijvend, omdat de combinatie “post” en “bike” een ongebruikelijke combinatie is, die merkbaar verschilt van de loutere som der bestanddelen, aangezien in het normale taalgebruik geen “postbike” of “postfiets” bestaat. Het beroep op depot te kwader trouw is voorshands niet aannemelijk geworden. DBG stelt dat Postbike B.V. wist van het gebruik van het merk door DBG toen zij haar merk deponeerde. In casu is DBG echter niet de eerste gebruiker van het merk, aangezien het merk eerder door de rechtsvoorgangers van Postbike B.V. werd gebruikt. Er is dus sprake van een geldig merk.

 

Het logo dat DBG gebruikt bij de verkoop van de fietsen is gelijk aan het logo van Postbike. In geschil is of de verkochte fietsen tussen 6 januari en 5 maart 2014 inbreuk maken op het Postbike merk 2013, dat op 5 maart 2014 ingeschreven en dus vanaf dat moment geldig is. Omdat de fietsen voor 5 maart 2014 zijn verkocht en niet aannemelijk is dat er nog fietsen zijn geproduceerd, terwijl ook niet is gebleken dat er afspraken tussen partijen zijn gemaakt, is er volgens de voorzieningenrechter geen sprake van inbreuk in het verleden. DBG heeft ter zitting verklaard dat zij voornemens is om haar (resterende) voorraad Postbike fietsen te gaan verkopen. Hierdoor is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat inbreuk op het Postbike merk 2013 dreigt en wordt een verbod voor de toekomst toegewezen. De nevenvorderingen worden echter afgewezen, omdat geen inbreuk in het verleden is geconstateerd.

 

De vorderingen uit onrechtmatig handelen worden afgewezen. De feitelijke situatie is altijd zo geweest dat DBG de opslag, leveranties en servicegarantie van de Postbike fietsen verzorgde voor (de rechtsvoorgangers van) Postbike. Nu die situatie lijkt op een licentieverhouding kan van misbruik van recht/onrechtmatig handelen als gevolg van oneerlijke mededinging o.a. door de handelsnaam Postbike op verschillende wijzen te gebruiken, geen sprake zijn. Het beroep op reputatieschade als gevolg van defecte accu’s in de elektrische Postbikes die door DBG zijn verkocht wordt ook afgewezen, omdat Postbike onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de accu’s van slechte kwaliteit zijn en omdat DBG ter zitting heeft aangeboden om de garantie van de accu’s te willen verlengen en de service op zich te willen nemen.

 

IEPT20140617, Rb Rotterdam, Postbike v DBG