
Gemeenschapsmerk - Beroep tegen de weigering om het Gemeenschapsmerk "URB" nietig te verklaren op grond van oudere collectieve nationale woord/-beeldmerken voor "URB".
Het beroep wordt verworpen. Het is niet duidelijk of verzoekster de collectieve merken mocht gebruiken ten tijde van de registratie van het Gemeenschapsmerk. Daarnaast heeft de interveniënt een legitiem commercieel doel bij het registreren van het merk. Het feit dat de een aanvrager van een merk wist of behoorde te weten dat de een derde al gebruik maakte van het teken is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de aanvrager te kwader trouw was. Verzoekster heeft niet bewezen dat het de bedoeling van de intervenient is geweest om de aanvrager uit te sluiten van de relevante markt.
47 In that regard and by analogy, it is sufficient to note that the Court has held that the fact that the applicant knows or should know that a third party has long been using, in at least one Member State, an identical or similar sign for an identical or similar product capable of being confused with the sign for which registration is sought is not sufficient, in itself, to permit the conclusion that the applicant was acting in bad faith (judgment in Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, paragraph 27 above, EU:C:2009:361, paragraph 40). Since it follows from paragraphs 32 to 45 above that the other grounds put forward by the applicant are not capable of establishing bad faith on the part of the intervener, that fact is not sufficient to support such a conclusion.
Lees het arrest hier.