Misleidende reclame over winkansen Staatsloterij

Print this page 30-01-2015
IEPT20150130, HR, Staatsloterij v Loterijverlies

Geen onbegrijpelijk oordeel van Hof dat het gebruik in “loterijland” om prijzen te trekken uit “universum” dat aanzienlijk groter is dan aantal daadwerkelijk verkochte loten, niet (in voldoende mate) kenbaar is voor gemiddelde consument. Geen onbegrijpelijk oordeel van Hof dat gewraakte mededelingen van Staatsloterij van voldoende materieel belang waren om beslissing van gemiddelde consument te beïnvloeden. Staatsloterij kan volstaan met streven naar uitkeringspercentage van 60 per maandelijkse loterij en het realiseren van dit percentage als gemiddelde over een langere periode.

 

RECLAMERECHT

Cassatie tegen IEPT20130528, waarin is bepaald dat Staatsloterij misleidende mededelingen heeft gedaan in de periode 2000-2007 in verband met het wel of niet gegarandeerd zijn van prijzen, winkansen en het aantal van gewonnen prijzen. Zie ook IEPT20100331 (rb). Zowel het principale als het incidentele beroep faalt. 

Het oordeel van het hof dat de gemiddelde consument in de periode 2000-2007 niet verwachtte dat door Staatsloterij werd getrokken uit een “universum” dat aanzienlijk groter was dan het aantal daadwerkelijke verkochte loten behelst  een feitelijke vaststelling van het hof omtrent de verwachtingen van de gemiddelde consument in de desbetreffende periode. Hierdoor hoefde het hof niet met zoveel woorden in te gaan op de stellingen van Staatloterij over enig andersluidend gebruik in “loterijland”, omdat in zijn oordeel besloten ligt dat dit gebruik niet kenbaar was voor de gemiddelde consument. Ook de klacht tegen het oordeel van het hof dat de door Staatsloterij verstrekte informatie, met name wat betreft de winkansen op een grote prijs, van voldoende materieel belang was om de beslissing van de gemiddelde consument te beïnvloeden faalt. Het oordeel van het hof in het licht van artikel 6:194 (oud) BW berust op feitelijke waarderingen die in beginsel aan het hof zijn voorbehouden en is niet onbegrijpelijk.

 

In het incidentele beroep oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat het minimum uitkeringspercentage van 60 procent niet ziet iedere trekking afzonderlijk, maar op een langere periode juist is.  

 

5.4 […] Hoewel uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever aanvankelijk voor ogen heeft gestaan dat per maandelijkse loterij een minimumuitkeringspercentage zou gelden en niet blijkt dat dit uitgangspunt is prijsgegeven (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.12-4.17), brengt een redelijke uitleg van het huidige art. 8 lid 2 WoK in het licht van de door het hof in rov. 6.3 genoemde omstandigheden – in het bijzonder de omstandigheid dat Staatsloterij op voorhand niet weet hoeveel loten voor een bepaalde trekking zullen worden verkocht – mee, dat Staatsloterij thans kan volstaan met het streven naar een uitkeringspercentage van 60 per maandelijkse loterij en het realiseren van dit percentage als gemiddelde over een langere periode. Daarbij verdient opmerking dat de tekst van art. 8 lid 2 WoK zich niet tegen deze uitleg verzet en dat het niet aanvaardbaar zou zijn om Staatsloterij thans verplicht te achten tot een beperking van het aantal uit te geven loten terwijl de wetgever reeds in 1967 een onbeperkte lotenuitgifte heeft mogelijk gemaakt (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.20.2 en 4.24) en een zodanig uitgiftebeleid ook gevestigde praktijk is geworden zonder dat is gesteld of is gebleken dat de toezichthoudende instanties hiertegen zijn opgetreden.

IEPT20150130, HR, Staatsloterij v Loterijverlies

(ECLI)