Bewijsopdrachten m.b.t. verantwoordelijkheid appellant voor publicatie uitingen op website

19-02-2015 Print this page
IEPT20150217, Hof Den Bosch, Publicatie op internet

Appellant krijg gelegenheid te bewijzen dat hij niet (mede)verantwoordelijk is voor uitingen op website 1 en 2. Geïntimeerde krijgt gelegenheid te bewijzen dat appellant (mede)verantwoordelijk is voor uitingen op website 9. Uitingen waarin o.a. (de suggestie van) betrokkenheid bij beschietingen, bedreigingen, vernielingen, oplichting en fraude wordt gewekt tasten eer en goede naam geïntimeerde in ernstige mate aan. Deel van uitingen vindt voldoende steun in feitenmateriaal en deel van uitingen vindt niet voldoende steun in feitenmateriaal: mogelijkheid tot nadere  bewijslevering indien vast komt te staan dat appellant (mede)verantwoordelijk was voor publicatie. Contactverbod wegens sturen brieven naar schoonvader geïntimeerde en schoolteam van school van kinderen van geïntimeerde.

 

PUBLICATIE

 

Geïntimeerde is een horecaondernemer die in het verleden zaken heeft gedaan met appellant. Op diverse plaatsen op het internet bevinden zich publicaties waarin geïntimeerde en/of zijn bedrijf in een kwaad daglicht worden gesteld. De rechtbank heeft in eerste aanleg appellant onder meer verboden een aantal namen of aanduidingen op website 1 te plaatsen en hem bevolen een schadevergoeding te betalen.

 

Geïntimeerde is voorshands geslaagd in het bewijs dat appellant (mede)verantwoordelijk was voor het plaatsen van de gewraakte uitingen op website 1 en 2. Het hof stelt appellant, gezien zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid om te bewijzen dat hij niet (mede)verantwoordelijk is voor de publicatie van de gewraakte koppen en passages op website 1 en 2. Ten aanzien van website 9 heeft geïntimeerde onvoldoende bewezen dat appellant (mede)verantwoordelijk is voor de gewraakte uitingen. Geïntimeerde zal overeenkomstig zijn bewijsaanbod in de  gelegenheid worden gesteld om zijn stelling alsnog te bewijzen.

 

Het hof oordeelt vervolgens dat de uitingen, waarin onder andere (de suggestie van) betrokkenheid bij beschietingen, bedreigingen, vernielingen, oplichting en fraude wordt gewekt, de eer en goede naam van geïntimeerde in ernstige mate aantasten. Naar het oordeel van het hof vinden een deel van de uitingen voldoende steun in het feitenmateriaal, bijvoorbeeld met betrekking tot de stelling dat geïntimeerde iemand dwangcontracten heeft laten ondertekenen en dat er aangifte tegen geïntimeerde is gedaan wegens fraude en bedrog. Een aantal uitingen vinden echter onvoldoende steun in het feitenmateriaal, zoals de uiting dat geïntimeerde verstoorde zakenrelaties heeft waarvan er meerdere zijn beschoten. Appellant dient in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld om over deze uitingen bewijs te leveren. Dit speelt echter pas op het moment dat vast komt te staan dat appellant (mede)verantwoordelijk was voor de publicatie van de uitingen. Een eventuele bewijsopdracht zal worden gegeven in een volgend arrest. Appellant wordt een contactverbod opgelegd wegens het sturen van brieven naar de schoonvader van geïntimeerde en het schoolteam van de school van de kinderen van geïntimeerde.

 

IEPT20150217, Hof Den Bosch, Publicatie op internet

(ECLI-versie)