Mogelijk prejudiciële vragen aan Hoge Raad over eisen voor bestaan van rechtsbetrekking (artikel 843a Rv)

25-03-2015 Print this page
IEPT20150224, Hof Arnhem-Leeuwarden, Synthon v Astellas

Mogelijk prejudiciële vragen aan HR over of aan begrip “rechtsbetrekking” (art. 843a Rv) hogere eisen moeten worden gesteld, indien rechtmatig belang niet bestaat uit staven van de inbreuk

 
PROCESRECHT

Hoger beroep tegen IEPT20130201 (vzgr), waarin de inzage in het bewijsbeslag onder Synthon is toegewezen. Synthon stelt onder meer dat de voorzieningenrechter een te lage drempel heeft gehanteerd voor toewijzing van de vordering uit hoofde van artikel 843a Rv.

 

Het hof oordeelt dat het betoog van Astellas dat de rechter die heeft te oordelen over een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv gebonden zou zijn aan het oordeel van de rechter die verlof heeft verleend niet kan worden aanvaard, reeds omdat het verlof tot het leggen van een bewijsbeslag in een ex parte procedure wordt verleend, terwijl een artikel 843a Rv procedure een procedure op tegenspraak is. Ook valt niet in te zien dat de beoordeling van de vereisten van een rechtmatig belang en een rechtsbetrekking alleen in een procedure tot opheffing van een beslag aan de orde kunnen worden gesteld en niet ook in een procedure uit hoofde van artikel 843a Rv.

 

Vervolgens overweegt het hof dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt te volgen dat aan de onderbouwing van de gestelde inbreuk in het kader van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv ter verkrijging van inzage (in ieder geval iets) hogere eisen moeten worden gesteld dan in het kader van een verzoek tot het leggen van bewijsbeslag het geval is. Volgens het hof ligt de ratio voor het hanteren van een lage drempel voor de aannemelijkheid van de gestelde inbreuk er dan in dat het materiaal waarin inzage wordt gevorderd nu juist nodig is om de inbreuk daarmee te staven. Met andere woorden, indien voldoende rechtmatig belang bestaat bij de gevorderde inzage, bestaande uit het kunnen staven van een gestelde inbreuk, dan moeten aan de voorwaarde van het bestaan van een rechtsbetrekking – gevormd door diezelfde inbreuk – niet te hoge eisen worden gesteld.  In de onderhavige zaak staat vast dat het beslagen bewijsmateriaal niet relevant is voor de beantwoording van de inbreukvraag, maar om te kunnen staven wie de gestelde voorbehouden handelingen verrichten en waar dat geschiedt.

 

Het hof overweegt vervolgens dat het de vraag is of er in het geval dat het voldoende rechtmatig belang niet bestaat uit het kunnen staven van de inbreuk, aan de voorwaarde van het bestaan van een rechtsbetrekking hogere eisen moeten worden gesteld. Artikel 6 Handhavingsrichtlijn lijkt in die richting te wijzen. Aangezien er echter in de rechtspraak en literatuur geen eenstemmigheid bestaat, overweegt het hof een aantal prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Partijen krijgen de gelegenheid zich bij akte over het voornemen tot het stellen van de vragen en de inhoud daarvan uit te laten. Het hof overweegt onderstaande vragen te stellen:

 

1. aan welke maatstaf dient ten minste te worden voldaan voor het aannemen dat ‘verzoeker [die] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er inbreuk op zijn recht van intellectuele eigendom is gemaakt of dreigt te worden gemaakt’ in de zin van artikel 1019b Rv?

 

2. aan welke maatstaf dient ten minste te worden voldaan voor het aannemen van een ‘rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’ zoals vereist voor toewijzing van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv, indien die rechtsbetrekking bestaat uit een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom?

 

3. geldt in gevallen waarin het beslagen bewijsmateriaal waarin inzage of waarvan afschrift wordt gevorderd dient ter staving van de vraag of in technische zin inbreuk wordt gemaakt op een recht van intellectuele eigendom enerzijds, en in gevallen waarin het beslagen bewijsmateriaal waarin inzage of waarvan afschrift wordt gevorderd dient ter staving van bijvoorbeeld de vraag door wie, in welk land en in welke omvang de gesteld inbreukmakende handelingen worden verricht anderzijds, dezelfde maatstaf?

 

4. indien het antwoord op de derde vraag negatief luidt, aan welke maatstaf dient dan in genoemde respectieve gevallen ten minste te worden voldaan voor het aannemen van een ‘rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’ zoals vereist voor toewijzing van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv?

 
IEPT20150224, Hof Arnhem-Leeuwarden, Synthon v Astellas


(ECLI-versie)