Prejudiciële vragen over of hyperlink naar illegale content mededeling aan publiek is

Print this page 03-04-2015
IEPT20150403, HR, Geenstijl v Sanoma

(Met dank aan Arnout Groen, Hofhuis Alkema Groen, Christiaan Alberdingk Thijm, bureau Brandeis, Tobias Cohen Jehoram, De Brauw Blackstone Westbroek en Remy Chavannes,  Brinkhof)

Hof heeft bij oordeel over citaatrecht onjuiste uitsnede beoordeeld. Vraag of uitingsvrijheid prevaleert boven handhaving IE-recht afhankelijk van omstandigheden van geval: bij commerciële uiting weegt belang van degene die de uiting doet in beginsel minder zwaar dan bij publicatie van algemeen maatschappelijk belang. Prejudiciële vragen over of sprake is van mededeling aan publiek indien het werk eerder zonder toestemming rechthebbende openbaar is gemaakt.

 

AUTEURSRECHT

 

Cassatie tegen IEPT20131119 (hof). Geenstijl heeft een link gepubliceerd naar uitgelekte foto’s van Britt Dekker. Het hof  geoordeeld dat het plaatsen van een hyperlink geen inbreuk was op het auteursrecht van [betrokenne], omdat de foto’s door plaatsing op Filefactory al eerder openbaar gemaakt waren. Ook is het beroep op portretrecht afgewezen Zie verder IEPT20120912 (rb). 
 

Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van auteursrechtinbreuk omdat Geenstijl een uitsnede van een van de foto’s openbaar heeft gemaakt. De Hoge Raad overweegt dat terecht is geklaagd dat het hof niet de juiste uitsnede heeft beoordeeld bij het beroep van GeenStijl op het citaatrecht. Alleen de uitsnede zonder kleding is afkomstig uit een van de foto’s waarop de berichtgeving op GeenStijl betrekking had en ten aanzien waarvan Sanoma zich op het auteursrecht van [betrokkene] hebben beroepen.

 

Voorts wordt geoordeeld dat het hof niet heeft miskend dat de rechter indien daarop een verweer wordt gevoerd, moet onderzoeken of in het concrete geval de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht afstuit op een ander grondrecht. Het hof laat immers de mogelijkheid open dat de aan Geenstijl toekomende uitingsvrijheid aan de handhaving van het auteursrecht met betrekking tot de uitsnede in de weg staat. Er wordt echter terecht geklaagd over dat het hof heeft geoordeeld dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen zo zal zijn. Volgens de Hoge Raad hangt de vraag of de uitingsvrijheid in een concreet geval behoort te prevaleren, af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de uiting. In verband met dit laatste is van belang dat, wanneer het gaat om een commerciële uiting, het belang van degene die deze uiting doet in beginsel minder zwaar weegt dan wanneer het een publicatie van algemeen maatschappelijk belang betreft.

 

In het incidentele beroep wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de mededeling aan het publiek door middel van de hyperlink. De Hoge Raad oordeelt dat de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien het werk weliswaar eerder is openbaar gemaakt, maar zonder toestemming van de rechthebbende, niet zonder redelijke twijfel kan worden beantwoord. Daarom zal de Hoge Raad hier prejudiciële vragen over stellen. Voorts is niet duidelijk of (r.o. 6.3.5.) “indien niet reeds sprake was van een interventie waardoor de foto’s aan een nieuw publiek werden medegedeeld doordat [betrokkene] geen toestemming had gegeven voor de plaatsing van de foto’s op Filefactory (en de foto’s ook anderszins niet eerder met diens toestemming openbaar waren gemaakt) – het in hoge mate faciliteren van de anderszins niet eenvoudig vindbare foto’s, door het plaatsen van hyperlinks naar de precieze URL, moet worden aangemerkt als de omzeiling van beperkingsmaatregelen als bedoeld in het arrest Svensson, respectievelijk een interventie waardoor de foto’s niettemin aan een nieuw publiek zijn medegedeeld.” Ook hier wordt een prejudiciële vraag over gesteld.

 

De Hoge Raad stelt de volgende vragen aan het Hof van Justitie EU:

 

"1.a Is sprake van een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van art. 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 wanneer een ander dan de auteursrechthebbende door middel van een hyperlink op een door hem beheerde website verwijst naar een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek toegankelijke website, waarop het werk zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar is gesteld?

 

1.b Maakt het daarbij verschil of het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

 

1.c Is van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van het ontbreken van toestemming van de rechthebbende voor de plaatsing van het werk op de bij 1.a genoemde website van de derde en, in voorkomend geval, van de omstandigheid dat het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

 

2.a Indien het antwoord op vraag 1.a ontkennend luidt: is in dat geval wél sprake van een mededeling aan het publiek, of kan daarvan sprake zijn, indien de website waarnaar de hyperlink verwijst, en daarmee het werk, voor het algemene internetpubliek weliswaar vindbaar is, maar niet eenvoudig, zodat het plaatsen van de hyperlink het vinden van het werk in hoge mate faciliteert?

 

2.b Is bij de beantwoording van vraag 2.a van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van de omstandigheid dat de website waarnaar de hyperlink verwijst voor het algemene internetpubliek niet eenvoudig vindbaar is?

 

3. Zijn er andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij beantwoording van de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien door middel van een hyperlink toegang wordt verschaft tot een werk dat niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?"

IEPT20150403, HR, Geenstijl v Sanoma

(ECLI-versie)