Redelijke uitleg artikel 237 en 1019h Rv brengt mee dat Teva kosten procedure m.b.t. definitief door EOB herroepen EP 703 dient te dragen, ondanks dat Synthon vorderingen heeft ingetrokken: als in ongelijk gestelde partij te beschouwen. EP 528 en EP 924 voor productieproces voor “glatirameer acetaat” niet inventief voor voorkomen metaalion-verontreiniging in HBr/azijnzuur-mengsel: vakman zou geen metalen apparatuur zal gebruiken, waardoor rode verkleuring wordt voorkomen. Octrooien ook niet inventief voor voorkomen broom-verontreiniging: vakman waarvan vermijden verontreinigingen in geneesmiddel gebruikelijk streven is, zou routinematig op broomverontreiniging zijn uitgekomen. Vakman zou bij tegengaan van ongewenste broomverontreiniging het vrije broom in het HBr/azijn-mengsel verminderen.
OCTROOIRECHT - PROCESRECHT
Synthon is wereldwijd actief op het gebied van zowel innovatieve als complexe generieke geneesmiddelen. Teva brengt onder meer een geneesmiddel voor de behandeling van MS onder de merknaam Copaxone op de markt. Hiervoor is Teva houdster van een aantal octrooien voor de productie van glatirameer acelaat (GA) . Synthon vordert vernietiging van het Nederlandse deel van EP 703, EP 924 en EP 528.
EP 703 is door de Technische Kamer van Beroep van het EOB definitief herroepen, waardoor Synthon in zoverre geen belangt meer heeft bij vernietiging van dat octrooi. Ondanks dat Synthon de vordering heeft ingetrokken brengt een redelijke uitleg van artikel 237 en 1019h Rv met zich mee dat Teva de kosten van de procedure heeft te dragen, aangezien niet is aangevoerd (of valt in te zien) dat Synthon de kosten nodeloos heeft veroorzaakt.
De rechtbank gaat er met partijen vanuit dat de octrooien EP 528 en EP 924, enerzijds de metaalionenconcentratie betreffen en anderzijds het vrije broom in het te gebruiken HBr/azijnzuur-mengsel en dat deze deelproblemen van elkaar te onderscheiden zijn voor de inventiviteitsvraag.
Ten aanzien van de metaalion-verontreiniging wordt geoordeeld dat geen sprake is van inventiviteit. Synthon heeft onderbouwd aangevoerd dat de gemiddelde vakman die HBr/azijnzuur in voorbeeld 4 van WO 990 in de eerste ontschermingsstap zal toepassen, dit mengsel volgens zijn algemene vakkennis zal bereiden in niet-metalen, dat wil zeggen “glass lined” of gecoate, apparatuur. Teva heeft die algemene vakkennis als zodanig niet bestreden, maar gesteld dat de vakman niet zou hebben geweten dat de hoeveelheid metaalionen voor dit proces kritisch was en dat daarmee verkleuring kan worden voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit echter onverlet dat de vakman voor het produceren van een HBr/azijnzuur-mengsel geen metalen apparatuur zal gebruiken omdat die apparatuur dan zal corroderen en zodoende snel onbruikbaar zou worden. Ook zou hij weten dat bij contact tussen metaal en HBr/azijnzuur het laatste verontreinigd zou worden door corrosie. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de gemiddelde vakman die volgens zijn algemene vakkennis zijn apparatuur wil beschermen (en corrosieve vervuiling wil voorkomen) en dus geen metalen apparatuur toepast, zonder meer dan ook de rode verkleuring voorkomt. De eenvoudige toepassing van zijn vakkennis zou het door Teva gestelde probleem daarom hebben opgelost. Het niet optreden van de verkleuring is een “bonus effect” dat de octrooien op zichzelf geen inventief karakter geeft.
Ook met betrekking tot de broomverontreiniging is geen sprake van inventiviteit. Met Synthon moet worden geconcludeerd dat de probleemstelling het voorkomen van de gebromeerde verontreiniging in het peptide-mengsel is. De door Teva geformuleerde probleemstelling is te algemeen en daardoor te zeer losgezongen van het door de verschilmaatregel behaalde technisch effect.
Volgens de rechtbank zou de gemiddelde vakman, mede gelet op het feit dat het vermijden van verontreinigingen op het gebied van geneesmiddelen een gebruikelijk streven is, al op basis van routinematig handelen op de broomverontreiniging zou zijn uitgekomen. De vakman wordt door een door Synthon overgelegd FDA rapport voldoende duidelijk aangespoord bij de productie van GFA ervoor te zorgen dat hoeveelheden broomverontreinigingen zo laag mogelijk blijven.
Vervolgens wordt overwogen dat Synthon voldoende onderbouwd heeft gesteld en Teva onvoldoende steekhoudend heeft bestreden dat een gemiddelde vakman zonder meer ertoe zou worden gebracht om bij het tegengaan van de ongewenste broomverontreiniging het vrije broom in het HBr/azijn-mengsel te verminderen, al dan niet door het afvangen daarvan door een “scavenger” als fenol. Ten eerste zou zonder meer duidelijk zijn waar in het productieproces de ongewenste bromering ontstaat, omdat alleen bij de eerste ontschermingsstap van voorbeeld 4 van WO 990 het tussenproduct in aanraking komt met een substantie die broom bevat, het HBr/azijnzuur. Ten tweede is voldoende onderbouwd gesteld en door Teva als zodanig niet bestreden dat de gemiddelde vakman direct zou onderkennen dat de verontreiniging te wijten is aan het vrije broom in het HBR/azijnzuur-mengsel, alsmede hoe dit te voorkomen. Als dit al niet tot zijn algemene vakkennis behoort, vindt de gemiddelde vakman dit zonder meer in door Synthon overgelegde passages uit handboeken en publicaties. EP 528 en EP 924 worden vernietigd.