Directe inbreuk: in beschrijving genoemde zouten leiden niet tot beperking bescherming conclusie 1

19-02-2016 Print this page
IEPT20160216, Hof Den Haag, Shionogi v Resolution

Uitvindingsgedachte conclusie 1 EP 471: het vinden van een nieuwe groep statines, waaronder specifiek rosuvastine, met HMG CoA reductase remmende werking. Vakman zou niet menen dat octrooihouder slechts bescherming wenste voor in paragraaf 7 van beschrijving genoemde zouten van rosuvastatine en afstand deed van ruimere bescherming conclusie 1. Geen toegevoegde materie: vakman zou bij in aanvrage geopenbaarde rosuvastatine ook andere mogelijke keuzes op R4 dan natrium of calcium – dus ook de zuurvorm en andere zoutvormen -  meelezen. Directe inbreuk: rosuvastatinezink van Resolution valt onder conclusie 1 EP 471.

 

OCTROOIRECHT

 

Hoger beroep tegen IEPT20150715, waarin is geoordeeld dat Shionogi geen inbreuk maakt op de ABC van Resolution voor “Pyrimidinederivaten als HMG-CoA-reductase-inhibitoren”. Het vonnis wordt vernietigd.

 

De eerste vraag die het hof beoordeeld is hoe het conclusiekenmerk ‘or a non-toxic pharmaceutically acceptable salt thereof’ uit conclusie 1 van EP 471 moet worden uitgelegd. Het hof oordeelt dat de gemiddelde vakman, gelet op de beschrijving en zijn algemene vakkennis op de prioriteitsdatum zal begrijpen dat de uitvinding betrekking heeft op een nieuwe groep van statines – in het bijzonder het specifiek geclaimde rosuvastatine – waarvan de biologische activiteit beter is dan die van een bekende eerste generatie statines. De nieuwheid en inventiviteit van rosuvastine is niet bestreden. Door het octrooi wordt derhalve een nieuwe groep statines toegevoegd aan de stand van de techniek. De uitvindingsgedachte achter de woorden van de conclusie is daarom het vinden van een nieuwe groep statines, waaronder specifiek rosuvastine, met HMG CoA reductase remmende werking.  

 

De rechtbank heeft volgens het hof terecht vooropgesteld dat de gemiddelde vakman slechts dan mag aannemen dat afstand is gedaan van een gedeelte van de bescherming waarop het octrooi aanspraak geeft, indien daartoe, gelet op de inhoud van het octrooischrift in het licht van eventuele andere gegevens, waaronder de openbare gegevens uit het verleningsdossier, goede grond bestaat. Het enkele feit dat de beschrijving een nadere omschrijving van een conclusiekenmerk bevat is onvoldoende om reeds daarom die goede grond aan te nemen.

 

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum geen goede grond had om aan te nemen dat de octrooihouder slechts bescherming wenste voor de in paragraaf 7 genoemde zouten van rosuvastatine en afstand deed van de ruimere bescherming die conclusie 1 naar de letterlijke bewoordingen ervan bood. De gemiddelde vakman zal inzien dat conclusie 1 beperkter is geformuleerd dan waartoe de uitvindingsgedachte aanleiding geeft, omdat alleen het rosuvastatinezuur en de farmaceutisch aanvaardbare niet-toxische rosuvastatinezouten daarvan door die conclusie onder bescherming worden gesteld. De vakman zou verklaren dat het niet mogelijk is het werkzame bestanddeel (het rosuvastine-anion) toe te dienen zodat daarom rosuvastine in de mogelijke toedieningsvormen is geclaimd. De ruimere uitvindingsgedachte geeft de gemiddelde vakman (juist) geen aanleiding te veronderstellen dat de octrooihouder heeft bedoeld alleen bepaalde zoutvormen onder bescherming te stellen en afstand te doen van alle andere zoutvormen.

 

Het hof is het met Resolution eens dat de uitvindingsgedachte slechts één van de gezichtspunten is die bij de uitleg van een octrooiconclusie moet worden betrokken, maar dat kan haar niet baten. De andere door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten, zoals de beschrijving, het verleningsdossier en de algemene vakkennis van de vakman wijzen namelijk niet in een andere richting.

 

Volgens het hof zorgt het feit dat conclusie 1 van EP 471 zich tevens uitstrekt tot rosuvastinezuur en ook andere niet-toxische farmaceutisch aanvaardbare zouten dan het natrium- en calciumzout er niet voor dat sprake is van toegevoegde materie. De vakman zou bij het in de aanvrage geopenbaarde rosuvastatine ook de andere mogelijke keuzes op R4 dan natrium of calcium – dus ook de zuurvorm en andere zoutvormen –meelezen of, anders gezegd, voor ogen hebben. Omdat die keuze niet relevant is voor de biologische activiteit van rosuvastatine, wordt daarmee geen (technische) informatie verschaft die niet rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de oorspronkelijke aanvrage kan worden afgeleid.

 

Het incidentele appel van Resolution faalt. Nu het hof van oordeel is dat geen sprake  is van toegevoegde materie en dat rosuvastatinezink onder de beschermingsomvang van conclusie 1 van EP 471 valt, moet het vonnis van de rechtbank worden vernietigd en worden de vorderingen van Resolution alsnog afgewezen. Het rosuvastatinezink van Resolution valt onder EP 471 en maakt daardoor directe inbreuk op dit octrooi.


IEPT20160216, Hof Den Haag, Shionogi v Resolution
 

(ECLI-versie)