Partij kleding niet met toestemming van Tommy Hilfiger in het verkeer gebracht

23-02-2016 Print this page
IEPT20160217, Rb Den Haag, Tommy Hilfiger v Sporttrading Holland

Partij kleding niet met toestemming van Tommy Hilfiger Licensing in het verkeer gebracht. Merkinbreuk door Sporttrading (oud) door partij kleding aan Metro te koop aan te bieden. Alle vorderingen gebaseerd op handelingen Sporttrading (oud) tegen curator niet-ontvankelijk. Vordering tot afgifte van tot boedel behorende kleding afgewezen: boedel beschikt niet meer over enige voorraad. Merkinbreuk door boedel voldoende onderbouwd. Verklaring voor recht dat curator niet aan verstrekking bewijsstukken incidenteel vonnis heeft voldaan: niet de activa-overeenkomst met Sporttrading overgelegd. Merkinbreuk door Sporttrading Holland door partij kleding ter verhandeling in voorraad te hebben en aan te bieden. Sporttrading Holland moet door accountant gecontroleerde en van bewijsstukken voorziene opgave doen van leverancier van de inbreukmakende kleding. Recall toegewezen. Verwijzing naar schadestaat c.q. winstafdracht toegewezen. Geen bestuurdersaansprakelijkheid [ged 4] en [ged 6]. Gestelde aansprakelijkheid DCSG en [ged 3] voor de merkinbreuk niet aannemelijk.

 

MERKENRECHT – PROCESRECHT

 

Vervolg op indicenteel vonnis IEPT20130828, waarin Sporttrading Holland en haar bestuurders o.a. veroordeeld zijn tot afgifte van een kopie van de in conservatoir bewijsbelag genomen administratie. Het gaat om deze zaak om een partij kleding die door Sporttrading (oud) in september 2009 is gekocht van de Duitse vennootschap Marken Textil. Volgens Tommy Hilfiger is de kleding inbreukmakend.

 

De rechtbank oordeelt dat de partij kleding niet met toestemming van Tommy Hilfiger Licensing in het verkeer is gebracht, aangezien gedaagden niet meer stellen dat ze kunnen aantonen dat de kleding wel met toestemming in het verkeer is gebracht. Het staat vast dat Sporttrading (oud), dat failliet is gegaan, de partij kleding ter verkoop heeft aangeboden aan Metro en ter verkoop in opslag heeft gehad. Hierdoor staat de merkinbreuk door Sporttrading (oud) op merkrechten van Tommy Hilfiger Licensing vast. Alle vorderingen die gebaseerd zijn op handelingen van Sporttrading (oud) tegen de curator zijn echter niet-ontvankelijk, omdat zij zien op voldoening van een verbintenis uit de boedel, welke vorderingen dienen te worden aangemeld ter verificatie, dan wel dat het vorderingen betreft die geen betrekking hebben op tot de boedel behorende rechten of verplichtingen, welke vorderingen tegen de gefailleerde vennootschap dienen te worden ingesteld.

 

De vordering tot afgifte van tot de boedel behorende kleding wordt afgewezen, omdat door de curator onbestreden is gesteld dat de boedel niet meer over enige voorraad beschikt. Ook is de gestelde merkinbreuk door de boedel onvoldoende onderbouwd. In het incidenteel vonnis is de curator veroordeeld om bewijsstukken van Sporttrading Holland te verstrekken. Het is echter duidelijk dat de veroordeling een verschrijving bevat en ziet op bestanden en documenten van Sporttrading (oud), hetgeen de curator ook zo begrepen heeft. Desalniettemin is de activa-overeenkomst met Sporttrading Holland  ook na verschillende sommaties niet overgelegd. Tommy Hilfiger heeft daarom belang bij de verklaring voor recht dat de curator niet aan de veroordeling uit het incidentele vonnis heeft voldaan.

 

Voorts wordt geoordeeld dat Sporttrading Holland inbreuk op de merkrechten van Tommy Hilfiger Licensing heeft gemaakt. Het staat namelijk vast dat de kleding niet met toestemming van Tommy Hilfiger Licensing in het verkeer is gebracht en het staat vast dat, ook nadat de doorverkoop aan Metro was afgeketst en de partij was overgegaan in handen van Sporttrading Holland, de partij of een deel daarvan ter verkoop is aangeboden aan mogelijke afnemers.

Ook de gevorderde recall wordt toegewezen, aangezien niet is gebleken dat alle kleding door Tommy Hilfiger in beslag zou zijn genomen. De verwijzing naar de schadestaat c.q. winstafdracht wordt toegewezen, omdat aannemelijk is dat Tommy Hilfiger schade heeft geleden en omdat moet worden aangenomen dat sprake was van kwade trouw aan de zijde van Sporttrading Holland. De gestelde bestuurdersaansprakelijkheid van [ged 4] en [ged 5] wordt afgewezen, nu niet vast is komen te staan dat zij persoonlijke wetenschap van de inbreuken hebben gehad. De gestelde aansprakelijheid van DCSG en [ged 3] voor de merkinbreuk is niet aannemelijk.

 

IEPT20160217, Rb Den Haag, Tommy Hilfiger v Sporttrading Holland

 

(ECLI-versie)