Niet bewezen dat licentieovereenkomst tot stand is gekomen tussen [X] en BP. Indien wel licentieovereenkomst bestaat is deze onder opschortende voorwaarde van succesvolle real-life test tot stand gekomen. Vervulling opschortende voorwaarde niet bewezen.
OVEREENKOMST
Hoger beroep tegen een aantal vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2012, 18 december 2013 en 27 augustus 2014. [X] heeft een proces ontwikkeld waarmee afvalwater kan worden gezuiverd. BP toonde interesse in het [X] proces. [X] stelt dat op 30 maart 2007 een licentieovereenkomst tot stand is gekomen met BP. In eerste aanleg zijn de vorderingen van [X] afgewezen.
Het hof oordeelt dat [X] niet heeft bewezen dat een licentieovereenkomst tot stand is gekomen tussen [X] en [B}. Over een essentieel element, de tussentijdse beëindiging was nog geen overeenstemming bereikt en uit de overgelegde correspondentie blijkt dat partijen voornemens waren verder te onderhandelen.
Ten overvloede overweegt het hof dat indien wel een licentieovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, deze onder de opschortende voorwaarde van een succesvolle test zou zijn overeengekomen. Hierbij gaat het niet om een een test van bepaalde randvoorwaarden, maar om een real-life test, onder normale operationele omstandigheden, waarbij het aan BP was om – binnen de grenzen der redelijkheid – te beoordelen of zij het [X] Proces daadwerkelijk in licentie wilde nemen. Voorts is de vervulling van deze opschortende voorwaarde niet bewezen.