Redelijke licentievergoeding op basis van deskundigenbericht vastgesteld op 4% van omzet tot 2001. Percentage gehalveerd tot 2% wegens gezamenlijk houderschap en bijdrage aan totstandkoming geoctrooieerde producten: € 31.715,30. Openlegging administratie aan door eiser aangewezen accountantskantoor voor berekening licentievergoeding na 2001. Vergoeding aanvullende octrooikosten toegewezen: vallen onder afspraak partijen en niet onnodig gemaakt.
OCTROOIRECHT - PROCESRECHT
Vervolg op het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011 (IEPT20111130) waarin een aanvullend deskundigenonderzoek is bevolen.
De rechtbank onderzoekt eerst de licentievergoeding tot 2001. Uit de aktes van partijen van 8 juli 2015 en 26 augustus 2015 moet worden afgeleid dat partijen het alsnog eens zijn geworden over het feit dat uitgegaan moet worden van de netto-omzet en dat daarbij de door eiseres opgegeven omzet over de periode tot 2001 (€ 1.585.765,19) tot uitgangspunt moet worden genomen. Op basis van een deskundigenbericht is vastgesteld dat een redelijke licentievergoeding 4% van de omzet tot 2001 zou bedragen. Dit percentage wordt door de rechtbank gehalveerd tot 2%, omdat sprake is van gezamenlijk houderschap van de octrooien en een gezamenlijke bijdrage aan de totstandkoming van de geoctrooieerde producten.
Met betrekking tot de licentievergoeding na 2001 en de openlegging van de administratie wordt als volgt geoordeeld. De vordering tot openlegging wordt toegewezen aan een door eiseres voorgestelde derde, de heer [A] van een accountantskantoor in Zwitserland. Deze derde zal op basis van de administratie tot de exacte berekening van de licentievergoeding over de periode vanaf 1 januari 2001 moeten komen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten volgens het liquidatietarief. De reconventionele vorderingen worden afgewezen.
IEPT20160518, Rb Midden-Nederland, Kruyder v Charmag