Kamer van Beroep moet aangeleverde Bulgaarse wetgeving in overweging nemen
11-07-2016 Print this page
Merkenrecht. Beroep tegen de afgewezen oppositie tegen het bovenstaande aangevraagde uniemerk voor diensten uit de klassen 35, 39 en 43. De oppositie berust op het oudere niet ingeschreven Bulgaarse merk dat onder het aangevraagde merk staat. De Kamer van Beroep wees de oppositie eerder af.
Het beroep wordt toegewezen. De Kamer van Beroep wees het beroep af op grond dat de verzoekster geen verduidelijking had verstrekt over het toepasselijke nationale recht waarop zij haar oppositie baseerde. Opposante had voor het eerste beroep nieuw bewijs overlegd aangaande de toepasselijke nationale bepalingen. Dit bewijs werd niet door de Kamer van Beroep in acht genomen. Ook voor het tweede beroep bij het Gerecht overlegde zij nieuw bewijs. Dit werd niet in acht genomen op grond dat het Gerecht louter toe kan zien op de rechtmatigheid van een beslissing, niet op de feiten. Het Gerecht bepaalde daarbij wel dat de Kamer van Beroep ten onrechte niet naar het aangedragen bewijs heeft gekeken. De Kamer van Beroep heeft een ruime beoordelingsmogelijkheid om te bepalen of bewijs in acht moet worden genomen of niet. Deze heeft zij in casu niet uitgeoefend, hetgeen het Gerecht kwalijk vindt, omdat zij geen rechtsgrondslag daarvoor gegeven heeft. Gelet op het aangeleverde bewijs omtrent de nationale wetgeving had de Kamer van Beroep moeten kijken of hierop een oppositie gebaseerd kon worden, daar het duidelijk was dat er sprake was van een identiek merk. Het feit dat opposante alleen een verwijzing naar Bulgaarse wetgeving in plaats van een officiële vertaling heeft aangeleverd mag hieraan geen afbreuk doen. De Kamer van Beroep heeft ten onrechte niet de toepasselijke Bulgaarse wetgeving onderzocht en haar beslissing moet zodoende verworpen worden.
“61 Uit een en ander vloeit voort dat de kamer van beroep in casu, zonder haar beoordelingsbevoegdheid te hebben uitgeoefend, in punt 22 van de bestreden beslissing niet terecht tot de slotsom kon komen dat de verwijzingen naar de drie bepalingen van het nationale recht tardief waren. De kamer van beroep heeft dus ten onrechte de beoordelingsbevoegdheid waarover zij nochtans beschikte, niet uitgeoefend, en haar weigering om op grond daarvan rekening te houden met de voor haar overgelegde verwijzingen naar het Bulgaarse recht, niet gerechtvaardigd. Hierdoor heeft de kamer van beroep artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 geschonden.”
“79 In omstandigheden waarin het EUIPO mogelijkerwijs rekening moet houden met met name het nationale recht van de lidstaat waarin een ouder recht waarop de oppositie steunt, wordt beschermd, moet het bijgevolg ambtshalve, met de middelen die hem hiertoe nuttig lijken, inlichtingen inwinnen over het nationale recht van de betrokken lidstaat, wanneer deze inlichtingen nodig zijn voor de beoordeling van de voorwaarden voor toepassing van een relatieve weigeringsgrond, en in het bijzonder voor de beoordeling van de realiteit van de aangevoerde feiten of van de bewijskracht van de overgelegde stukken (zie in die zin arrest van 27 maart 2014, BHIM/National Lottery Commission, C‑530/12 P, EU:C:2014:186, punt 45). Deze verplichting om ambtshalve inlichtingen over het nationale recht in te winnen, ligt in voorkomend geval bij het EUIPO wanneer het reeds beschikt over aanwijzingen inzake het nationale recht, hetzij in de vorm van beweringen betreffende de inhoud ervan hetzij in de vorm van overgelegde gegevens waarvan de bewijskracht werd aangevoerd [arrest van 20 maart 2013, El Corte Inglés/BHIM – Chez Gerard (CLUB GOURMET), T‑571/11, EU:T:2013:145, punt 41].”
Lees het arrest hier