Verhuurder stands in markthallen is “tussenpersoon” ex artikel 11 Handhavingsrichtlijn

07-07-2016 Print this page
IEPT20160707, HvJEU, Tommy Hilfiger v Delta Centre

Verhuurder van verkoopstands in markthallen is tussenpersoon wiens diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken in de zin van artikel 11 Handhavingsrichtlijn. Voor bevel aan tussenpersoon fysieke marktplaats gelden dezelfde voorwaarden als voor bevel aan tussenpersoon elektronische marktplaats, zoals geformuleerd in L’Oreal-arrest (IEPT20110712).

 

PROCESRECHT

 

Uit het perscommuniqué: “De vennootschap Delta Center is huurder van de marktplaats „Pražská tržnice” (Praagse markthallen). Zij onderverhuurt de verschillende verkoopstands op deze marktplaats aan marktkramers. [zie foto links, red. Boek9]

 

Producenten en distributeurs van merkproducten hebben vastgesteld dat in de markthallen van Praag namaak van hun producten werd verkocht. Zij hebben vervolgens de Tsjechische rechterlijke instanties verzocht Delta Center te gelasten de verhuur van verkoopstands in deze hallen aan dergelijke inbreukmakers te staken. […]

 

De merkhouders menen dat, net zoals de beheerder van een elektronische marktplaats waarom het ging in het arrest L’Oréal2, de exploitant van een fysieke marktplaats op grond van de richtlijn door de rechter kan worden verplicht de door de marktkramers gemaakte merkinbreuken te doen staken en maatregelen te nemen om nieuwe inbreuken te voorkomen.

 

De Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië), bij wie cassatieberoep is ingesteld, vraagt aan het Hof van Justitie of het daadwerkelijk mogelijk is de exploitant van een fysieke marktplaats te verplichten de door de marktkramers gemaakte merkinbreuken te doen staken en maatregelen te nemen om nieuwe inbreuken te voorkomen.

 

In zijn arrest van heden stelt het Hof vast dat een exploitant die voor standplaatsen op een marktplaats verhuur- of onderverhuurdiensten aan derden aanbiedt en aldus deze derden de mogelijkheid biedt om er nagemaakte koopwaar te verkopen, moet worden aangemerkt als „tussenpersoon” in de zin van de richtlijn. Het Hof benadrukt dat het feit dat de verkoopstands op een elektronische dan wel een fysieke marktplaats ter beschikking worden gesteld, niet van belang is aangezien de werkingssfeer van de richtlijn niet tot de elektronische handel is beperkt.

 

Bijgevolg kan ook de exploitant van een fysieke marktplaats worden verplicht de door de marktkramers gemaakte merkinbreuken te doen staken en maatregelen te nemen om nieuwe inbreuken te voorkomen.

Voorts merkt het Hof op dat de voorwaarden die gelden voor een bevel dat door een rechterlijke instantie wordt uitgevaardigd ten aanzien van een tussenpersoon die voor verkoopstands in markthallen verhuurdiensten aanbiedt, dezelfde zijn als de voorwaarden die gelden voor bevelen aan tussenpersonen op een elektronische marktplaats.

 

Deze bevelen moeten dus niet alleen doeltreffend en afschrikkend, maar ook billijk en evenredig zijn. Zij mogen bijgevolg niet overdreven kostbaar zijn en evenmin belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer scheppen. Van de tussenpersoon kan evenmin worden verwacht dat hij een algemene en permanente surveillanceplicht uitoefent ten aanzien van zijn klanten. De tussenpersoon kan daarentegen worden gelast om maatregelen te treffen die ertoe bijdragen te voorkomen dat nieuwe inbreuken van dezelfde aard door dezelfde marktkramer worden gemaakt. De bevelen moeten bovendien een passend evenwicht garanderen tussen de bescherming van de intellectuele eigendom en het ontbreken van belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer.”

 

Het antwoord van het HvJEU op de vragen luidt:

 

1). Artikel 11, derde zin, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „tussenperso[on] wie[ns] diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken” in de zin van deze bepaling mede ziet op de huurder van markthallen die de verschillende in deze markthallen gelegen verkoopstands onderverhuurt aan marktkramers van wie sommigen hun standplaats gebruiken om nagemaakte merkproducten te verkopen.

 

2). Artikel 11, derde zin, van richtlijn 2004/48 moet aldus worden uitgelegd dat de voorwaarden die gelden voor het in deze bepaling bedoelde bevel dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van een tussenpersoon die voor verkoopstands in markthallen verhuurdiensten verleent, dezelfde zijn als de voorwaarden die gelden voor bevelen die kunnen worden uitgevaardigd ten aanzien van tussenpersonen op een elektronische marktplaats, zoals die door het Hof zijn geformuleerd in het arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a. (C324/09, EU:C:2011:474).

IEPT20160707, HvJEU, Tommy Hilfiger v Delta Centre

(curia-versie)