Nationale rechter niet vrij om eigen oordeel in plaats van oordeel HvJEU te stellen. HvJEU heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat erkenning van in geding zijnde beslissing niet wegens strijd met openbare orde kan worden geweigerd. Zelfs indien schending artikel 5(3) Merkenrichtlijn door rechtbank in Sofia kennelijke schending openbare orde is heeft Diageo niet alle beschikbare rechtsmiddelen aangewend om schending ongedaan te doen maken. Klachten over uitleg Bulgaars recht falen op grond van artikel 79 (1)(b) Ro. Oordeel hof over dat het Diageo vrij stond om zich te verzetten tegen import Johnny Walker whisky van buiten EER niet onbegrijpelijk.
PROCESRECHT - IPR
Vervolg op IEPT20150716 (HvJEU) en IEPT20131220 (HR). De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de openbare orde exceptie van artikel 34 sub 1 EEX-Vo kan worden ingeroepen om de erkenning van een buitenlands vonnis dat evident in strijd is met het Unierecht te weigeren. Het Hof van Justitie EU heeft geoordeeld (IEPT20150716)dat het feit dat een in de lidstaat gegeven beslissing in strijd is met het Unierecht niet rechtvaardigt dat de beslissing niet wordt erkend wegens strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat, indien de onjuiste rechtstoepassing geen kennelijke schending van een rechtsregel van essentieel belang vormt. Onjuiste toepassing van artikel 5(3) Merkenrichtlijn is volgens het HvJEU geen schending van een rechtsregel van essentieel van belang. Zowel het principale als het incidentele beroep worden verworpen.
Diageo heeft betoogd dat artikel 6 EVRM en 14 IVBPR en de taakverdeling tussen het HvJEU en de Hoge Raad zich ertegen verzetten dat de Hoge Raad zich gebonden acht aan de oordelen van het HvJEU in het prejudiciële arrest. De Hoge Raad overweegt dat de nationale rechter die een prejudiciële vraag stelt aan het HvJEU is gevonden aan de uitspraak van het HvJEU in de prejudiciële procedure en het bij hem aanhangige geschil dient te beslissen met inachtneming van de uitspraak van het HvJEU. De nationale rechter kan daarom niet zijn eigen oordelen in de plaats stellen van die van het Hof.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof van Justitie Eu zich niet heeft uitgelaten over het uitgangspunt dat de beslissing van de Bulgaarse rechter evident in strijd is met art. 5 lid 3 Merkenrichtlijn en dat dit door die rechter is onderkend. Nu evenwel uit het antwoord van het HvJEU blijkt dat art. 5 lid 3 Merkenrichtlijn niet kan worden aangemerkt als een rechtsregel die in de rechtsorde van de Unie (en dus in die van Nederland) van essentieel belang wordt geacht of als een in die rechtsordes als fundamenteel erkend recht valt aan te merken, heeft het HvJEU volgens de Hoge Raad klaarblijkelijk geoordeeld dat de erkenning van de in het geding zijnde beslissing, ongeacht de mate van onjuistheid daarvan, niet wegens strijd met de openbare orde kan worden geweigerd.
Voorts overweegt de Hoge Raad dat uit het arrest van het HvJEU blijkt dat zelfs indien de schending van artikel 5(3) Merkenrichtlijn als kennelijke schending van de openbare orde kan worden aangemerkt, op Diageo de plicht rustte om alle in Bulgarije beschikbare rechtsmiddelen aan te wenen om deze ongedaan te doen maken. Diageo heeft niet aangevoerd dat het voor haar te moeilijk of onmogelijk was om dit te doen, maar slechts dat het zinloos was. Uit het arrest van het HvJEU blijkt dat deze omstandigheid Diageo niet ontsloeg van haar plicht om alle beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden.
De klachten over dat het hof het Bulgaarse recht verkeerd zou hebben uitgelegd falen op grond van artikel 79(1)(b) RO, dat stelt dat de Hoge Raad geen arresten vernietigt wegens schending van het recht van vreemde staten. Voor zover wordt aangevoerd dat Simiramida misbruik van procesrecht maakt door op basis van het vonnis van de rechtbank te Sofia schadevergoeding te vorderen faalt dit, omdat in feitelijke instanties geen beroep op misbruik van bevoegdheid is gedaan en het hof dit niet ambtshalve mocht beoordelen.
Ook het incidentele beroep van Simiramida faalt. Het middel klaagt dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken “dat het Diageo vrijstond zich ertegen te verzetten dat Johnny Walker whisky zonder haar toestemming van buiten de Europese Economische Ruimte op de Bulgaarse markt zou worden gebracht”. Volgens de klacht impliceren de aangehaalde woorden dat sprake is van merkinbreuk door Simiramida, terwijl het hof eerder in zijn arrest heeft vastgesteld dat het vonnis van de rechtbank te Sofia, waarin is geoordeeld dat Simiramida geen merkinbreuk heeft gepleegd, in kracht van gewijsde is gegaan. Het middel faalt omdat het hof heeft geoordeeld dat Simiramida onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat de bedoelde onrechtmatige aanzeggingen zijn gedaan en evenmin dat vertegenwoordigers van Diageo dergelijke (aan Diageo toe te rekenen) aanzeggingen hebben gedaan. De door Simiramida overgelegde verklaringen zijn daar niet specifiek genoeg voor. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat Simiramida zich ertegen mocht verzetten dat Johnny Walker whisky zonder haar toestemming van buiten de Eer op de Bulgaarse markt zou worden gebracht. Het oordeel van het hof moet volgens de Hoge Raad worden verstaan dat Simiramida haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van het recht van een merkhouder om te waarschuwen tegen dreigende merkinbreuk.