Gezondheidsclaims in reclame gericht op beroepsbeoefenaars gezondheidszorg vallen binnen Vo 1924/2006

14-07-2016 Print this page
IEPT20160714, HvJEU, Verband Sozialer Wettbewerb v Innova Vital

Gezondheidsclaims in reclame voor een levensmiddel vallen binnen de reikwijdte van verordening 1924/2006 ook wanneer de reclame niet aan de eindgebruiker van het product is gericht, maar uitsluitend aan beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg. Levensmiddelenproducenten zouden de verplichtingen waar deze verordening op ziet kunnen vermijden door via de beroepsbeoefenaar de eindgebruiker te benaderen.

RECLAMERECHT

Innova Vital, een bedrijf dat wordt geleid door een arts, heeft in Duitsland onder de naam "Innova Mulsin® Vitamin D3" een voedingssupplement in de handel gebracht dat vitamine D3 bevat en in de vorm van druppels wordt toegediend. In november 2013 heeft de bedrijfsleider van Innova Vital een brief gestuurd die uitsluitend aan artsen was gericht. Deze brief bevatte een aanprijzende tekst over dit voedingssupplement. Het Verband Socialer Wettbewerb (een vereniging ter bescherming van de mededinging) heeft voor de verwijzende rechter aangevoerd dat de betrokken brief gezondheidsclaims bevat welke volgens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 verboden zijn, namelijk de twee volgende beweringen:

Zoals talrijke studies reeds hebben aangetoond, speelt vitamine D een belangrijke rol bij het voorkomen van verschillende ziekten, zoals atopische dermatitis, osteoporose, diabetes mellitus en MS [multiple sclerose]. Volgens die studies is een te lage vitamine D spiegel vanaf de kindertijd voor een deel verantwoordelijk voor het later optreden van de genoemde ziektebeelden

en

Tekorten snel voorkomen en opheffen (80 procent van de bevolking heeft in de winter een vitamine D3 tekort).

Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht München I (regionale rechter München I, Duitsland) het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

"Moet artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus worden uitgelegd dat de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan in reclameboodschappen voor levensmiddelen die als zodanig bestemd zijn om aan de eindverbruiker te worden geleverd, wanneer deze commerciële communicatie of reclameboodschap zich uitsluitend tot beroepsbeoefenaars richt?”

Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

Verordening 1924/2006 ziet (ook) op voedings- en gezondheidsclaims wanneer deze claims worden gedaan in commerciële mededelingen en de betrokken levensmiddelen bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd. Deze verordening voorziet niet in een uitleg van het begrip “commerciele mededeling”, maar dit begrip wordt elders in het Unierecht gedefinieerd. Volgens artikel 2, onder f), van richtlijn 2000/31 moet aldus onder "commerciële communicatie” worden verstaan elke vorm van communicatie bestemd voor het direct of indirect promoten van de goederen, diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, die een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent. Artikel 4, punt 12, van richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt, bevat een gelijksoortige definitie van het begrip "commerciële communicatie”. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat in de zin van deze bepaling een commerciële communicatie dus niet alleen klassieke reclame omvat, maar ook andere vormen van bekendmaking en informatieverstrekking, bedoeld om nieuwe cliënten te werven (zie arrest van 5 april 2011, Société fiduciaire nationale d’expertise comptable, punt 33). Het begrip “commerciële mededeling" in de zin van art 1 lid 2 van de verordening moet worden begrepen als een mededeling in de vorm van reclame voor levensmiddelen met de bedoeling deze rechtstreeks of indirect te promoten.

Verordening 1924/2006 bevat geen precisering betreffende de geadresseerden van de mededeling. Het Hof oordeelt dat het product zelf voor de eindgebruikers bestemt dient te zijn en niet de mededeling over dat product. Verordening 1924/2006 is bijgevolg van toepassing op gezondheidsclaims in reclame die uitsluitend voor beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg zijn gericht. In situaties als het onderhavige is de reclame vooral gericht tot de eindgebruikers, opdat de eindverbruiker als reactie op een aanbeveling van de beroepsbeoefenaar het in deze reclame aanbevolen levensmiddel koopt.

Voorts merkt het Hof op dat verordening 1924/2006 voorziet in een procedure die het mogelijk maakt na te gaan of een claim die valt binnen de reikwijdte van de verordening, wetenschappelijk onderbouwd is. Wanneer tot beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg gerichte gezondheidsclaims niet binnen het toepassingsgebied van onderhavige verordening zouden passen, zouden dergelijke claims gebruikt kunnen worden zonder noodzakelijk wetenschappelijke onderbouwing. Toepassing van deze verordening draagt dus bij een hoog niveau van consumentenbescherming.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1047/2012 van de Commissie van 8 november 2012, moet aldus worden uitgelegd dat de voedings- of gezondheidsclaims die worden gedaan in een commerciële mededeling betreffende een levensmiddel dat bestemd is om als zodanig aan de eindgebruiker te worden geleverd, binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen wanneer deze mededeling niet aan de eindgebruiker maar uitsluitend aan beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg is gericht."

IEPT20160714, HvJEU, Verband Sozialer Wettbewerb v Innova Vital

(Curia-versie)