Wapperverbod ten aanzien van Gebrauchsmuster DE 126

03-10-2016 Print this page
IEPT20160909, Rb Den Haag, A Booth v Hestex

Wapperverbod Hestex ten aanzien van DE 126. Niet uit te sluiten dat vorderingen op basis van DE 126 onder vaststellingovereenkomst vallen. Uitleg passage “all related claims” vereist nadere bewijsvoering waarvoor geen plaats is in kort geding. Indien DE 126 niet (rechtstreeks) onder vaststellingsovereenkomst valt is in strijd met postcontractuele goede trouw gehandeld door direct na sluiten vaststellingsovereenkomst beroep te doen op DE 126. Gerede twijfel of DE 126 geldig is: Gebrauchsmuster is een niet onderzocht recht en conclusie 1 DE 126 aanzienlijk beperkt, gewijzigde conclusie 1 voorshands niet nieuw en inventief gelet op D1 en D4, geldigheid gewijzigde DE 126 niet deugdelijk onderbouwd.

 

OVEREENKOMST – OCTROOIRECHT

 

Hestex is houdster van een aantal octrooirechten, Gemeenschapsmodelrechten en Gebrauchsmusters (gebruiksmodellen). Zij is onder meer houdster van octrooi EP 681, dat is verleend op basis van een aanvrage onder inroeping van prioriteit op basis van het Duitse Gebrauchsmuster DE 126. A Booth en Hestex hebben nadat een VRO-procedure door A Booth aanhangig is gemaakt, een vaststellingsovereenkomst gesloten op 28 juni 2016 te aanzien tot twee transportcontainers die als “Product 1” en “Product 2” zijn aangeduid door partijen. Op 4 juli 2016 is door de Duitse advocaat van Hestex aan A Booth medegedeeld dat zij op 26 april 2016 op een vakbeurs in Düsseldorf inbreuk heeft gemaakt op DE 126 zoals verleend of althans beperkt conform EP 681. A Both vordert nu onder meer dat Hestex verboden wordt handhavingsmaatregelen te ondernemen ten aanzien van EP 681 en/of DE 126.

 

Het gevorderde ten aanzien van EP 681 wordt bij gebrek aan belang afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat Hestex na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog een beroep heeft gedaan of dreigt te doen op EP 681. Daarnaast wordt vooropgesteld dat het de Nederlandse rechter niet vrijstaat om een partij te verbieden een andere EU rechter, in dit geval de Duitse, te adiëren. Het verbod wordt daarom voor dit deel afgewezen. Het enige dat dus resteert is de beoordeling van het wapperverbod ten aanzien van DE 126.

 

De voorzieningenrechter wijst het gevorderde wapperverbod toe ten aanzien van DE 126. Het is volgens de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat de vorderingen op basis van DE 126 onder de vaststellingsovereenkomst vallen. Het is duidelijk dat partijen aan de getroffen regeling de beëindiging van een lang conflict mochten toekennen en partijen hebben vastgelegd dat product 1 en 2 van A Booth geen inbreuk maken op EP 681. Het ligt dan ook bepaald niet voor de hand dat Hestex zo snel na het treffen van deze regeling A Booth met betrekking tot diezelfde producten een sommatie stuurt op basis van DE 126, een recht dat – zeker voor de wijziging – grote gelijkenissen vertoont met EP 681. Naar voorlopig oordeel is dan ook bepaald niet uitgesloten dat vorderingen op basis van DE 126 moeten worden opgevat als “all claims resulting from or related to the Dispute and the Proceedings”. Voor de uitleg van de passage “all related claims” is meer onderzoek nodig, dat het kort geding te buiten gaat. Ook indien DE 126 niet (rechtstreeks) onder de vaststellingsovereenkomst zou vallen is het voorshands onzorgvuldig en in strijd met de postcontractuele goede trouw dat Hestex buitengerechtelijke actie onderneemt op basis van DE 126 jegens afnemers van A Booth. Gelet op het korte tijdsverloop van enkele dagen tussen het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en de sommatie van 4 juli 2016, kan het niet anders dan dat Hestex al bij het sluiten van de overeenkomst voornemens is geweest een beroep te doen op DE 126.

 

Hier komt volgens de voorzieningenrechter nog bij dat het naar voorlopig oordeel aan twijfel onderhevig is of DE 126 geldig zal worden geacht. In de eerste plaats is het Gebrauchsmuster een niet vooronderzocht recht. In de tweede plaats is het op DE 126 gebaseerde octrooi tijdens de verlening in aanzienlijke mate beperkt. Hierdoor hangt de geldigheid van DE 126 vermoedelijk in belangrijke mate zal afhangen van de vraag of de laatstelijk toegevoegde wijziging, waarbij conclusie 1 is beperkt tot groeven waarbij de panelen afwisselend van de twee tegenovergelegen zijden kunnen worden ingeladen, nieuw en inventief is. Dit is volgens de voorzieningenrechter voorshands niet het geval, gelet op D1 en D4.

 

IEPT20160909, Rb Den Haag, A Booth v Hestex
 

(ECLI-versie)