Concurrentiebeding nietig vanwege ontbreken motivatie zwaarwegend bedrijfsbelang
24-11-2016 Print this page
Concurrentiebeding tussen Meijer en gedaagde nietig: schriftelijke motivering waaruit blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen ontbreekt. Geen rechterlijk verbod geheimhoudingsbeding: een rechterlijk verbod voegt aan de erkenning van gedaagde van deze verplichting niets toe. Eén overtreding geheimdhoudingsbeding door doorsturen lijst contactgegevens dienstverleners: het kan zoals [gedaagde] aanvoert zo zijn dat deze informatie ook op andere plaatsen (op internet) te vinden is, maar als dat zo is had [F.] zelf op die plaatsen naar die informatie moeten zoeken. Voorschot boete gematigd van € 10.000 naar € 6.000: gegevens openbaar en overtreding betreft geen prijsafspraken.
CONCURRENTIEBEDING
Meijer is een bouwonderneming. Gedaagde is per 1 april 2015 voor bepaalde tijd van een jaar bij Meijer in dienst getreden als vestigingsmanager. In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding en tevens een concurrentie en relatiebeding opgenomen. In het laatste beding staat dat het werknemer niet is toegestaan binnen 1 jaar werkzaam te zijn in de regio Den Haag-Haaglanden bij een soortgelijk bedrijf, tenzij werkgever daartoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. De boete bij overtreding bedraagt 10.000 EUR ineens en 5.000 EUR voor elke dag dat de werknemer in overtreding is. Gedaagde heeft op 24 november 2015 de arbeidsovereenkomst eenzijdig opgezegd en is per 1 januari 2016 bij CEND in dienst getreden. CEND houdt zich net zoals Meijer bezig met nieuwbouw en verbouw. Meijer vordert veroordeling van gedaagde tot nakoming van het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding en betaling van 200.000 EUR als voorschoot op de verbeurde contractuele boetes wegens overtreding van beide bedingen.
De kantonrechter in kort geding oordeelt als volgt. Een beding tussen Meijer en gedaagde waarbij gedaagde wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van een arbeidsovereenkomst op een in het beding genoemde wijze werkzaam te zijn, is bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts geldig uit bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van Meijer blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (art. 7:653 lid 1 en 2 BW). Deze bepaling geldt sinds 1 januari 2015. De arbeidsovereenkomst tussen Meijer en gedaagde hebben de arbeidsovereenkomst op 18 februari 2015 ondertekend. In deze arbeidsovereenkomst is niet gemotiveerd vanwege welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen dat beding is opgenomen. Er is wel een ondertekende motivering, maar die dateert van 30 maart 2015 dus ná het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Het overeengekomen relatie en concurrentiebeding is nietig.
Meijer vordert veroordeling van gedaagde tot onverkorte nakoming van het geheimhoudingsbeding. Gedaagde erkent de verplichting om voor alle zaken geheimhouding te betrachten. Daar voegt een rechterlijk verbod op overtreding van het geheimhoudingsbeding weinig aan toe.
Meijer noemt in de dagvaarding een aantal schendingen van het geheimhoudingsbeding van gedaagde. Alleen het doorsturen aan een aan CEND gelieerde onderneming van een lijst met namen en contactgegevens van vaste leveranciers en onderaannemers van Meijer, levert een schending van de geheimhoudingsverplichting op. Het kan, zoals gedaagde aanvoert, dat deze informatie ook op internet is te vinden, maar met deze e-mail kreeg de onderneming de informatie op een presenteerblaadje aangeboden in plaats van dat er zelf op zoek moest worden gegaan naar deze informatie. Gedaagde verbeurt in beginsel een boete van 10.000 EUR. Gedaagde doet een beroep op matiging van die boete, omdat de informatie ook op andere plekken te vinden is en dat het niet gaat om het delen van prijsinformatie of andere afspraken. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om het voorschot van de boete toe te kennen van 6.000 EUR, in aanmerking nemend dat de boete juist op een hoog bedrag is gesteld om overtreding daarvan tegen te gaan. De rente over de toe te wijzen boete is toewijsbaar vanaf de dag dat gedaagde de lijst met contactgegevens aan CEND heeft verstrekt.
IEPT20161018, Rb Rotterdam, Meijer