Concurrentiebeding terecht per 1 december 2016 geschorst: wezenlijk belang geïntimeerde bij overstap naar Olympia voldoende aannemelijk, Olympia geen grote en overwegend directe concurrent van USG, geïntimeerde houdt zich aan geheimhoudingsbeding en relatiebeding, kennis die niet onder geheimhoudings/relatiebeding valt raakt niet bedrijfsdebiet USG, niet aannemelijk dat geïntimeerde op de hoogte is van alle relevante aspecten van strategie USG en in recent verleden is concurrentiebeding bij vertrek zeven collega’s geïntimeerde gematigd.
ONRECHTMATIGE CONCURRENTIE
Geïntimeerde was Financieel Directeur bij USG. In zijn arbeidscontract stond een concurrentiebeding, relatiebeding en geheimhoudingsbeding. Op 15 maart 2016 heeft geïntimeerde een aanbod gekregen om als CFO bij Olympia in dienst te treden. USG heeft vervolgens aangegeven geïntimeerde aan zijn concurrentiebeding te willen houden. In eerste aanleg vorderde geïntimeerde schorsing van het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter heeft het concurrentiebeding geschorst met ingang van 1 december 2016. Het hof bekrachtigt het vonnis.
Het hof oordeelt dat het concurrentiebeding terecht is geschorst. Het wezenlijke belang van geïntimeerde bij de overstap naar Olympia is voldoende aannemelijk. Hij zal daar een aanzienlijk hoger salaris ontvangen en vakinhoudelijk er in aanzienlijke mate op vooruit gaan, doordat hij bij Olympia als CFO een bestuursfunctie zal krijgen, terwijl hij bij USG een directiefunctie had bij één van de star brands van USG. Ook is Olympia geen grote en overwegend directe concurrent van USG. In de eerste plaats is USG vele malen groter dan Olympia, aangezien de omzet van USG ruwweg acht keer groter is dan die van Olympia. Bovendien opereert USG op de internationale markt en Olympia alleen op de Nederlandse markt. Verder heeft USG de stelling van geïntimeerde dat Unique en Olympia zich voor een belangrijk deel op andere categorieën personeel richten onvoldoende weersproken.
Er wordt voorts overwogen dat het in casu niet om kennis gaat die onder de geheimhoudingsverplichting of het relatiebeding van geïntimeerde valt, aangezien hij heeft aangegeven zich daaraan zal houden en deze bedingen niet in rechte zijn aangevochten. De kennis waar het wel om gaat raakt volgens het hof niet aan het bedrijfsdebiet van USG. Het is aannemelijk dat geïntimeerde specifieke kennis heeft van kostprijzen, rendement en indirecte kosten. Dit is concurrentiegevoelige kennis, maar dit veroudert ook snel. Bovendien heeft USG naar het oordeel van het hof de stelling van geïntimeerde dat de markt op het vlak van prijsstelling onder druk staat en transparant is, waardoor veel kennis van openbare aard is of bekend bij specialisten, onvoldoende weerlegd. Vervolgens wordt overwogen dat niet aannemelijk is dat geïntimeerde op de hoogte is van alle relevante aspecten van de strategie van USG, nu hij geen deel uit maakte van de top van het bedrijf en door de invoering van de Country Directie daar zelfs verder vanaf kwam te staan. Daar komt bij dat door de overname door Recruit voor USG en geheel nieuwe ontwikkeling die van invloed zal zijn op de strategie van het bedrijf. Geïntimeerde is hier niet meer bij betrokken geweest.
Afsluitend wordt overwogen dat USG in het recente verleden het concurrentiebeding bij zeven collega’s van geïntimeerde heeft gematigd. Doordat USG deze stelling van geïntimeerde maar zeer ten dele heeft betwist, moet het ervoor worden gehouden dat USG in vergelijkbare gevallen andere maatstaven heeft gehanteerd en kennelijk minder zwaar tilde aan integrale handhaving van het concurrentiebeding. Het kan zijn dat USG hier gegronde redenen voor heeft gehad, bijvoorbeeld omdat zij bij de medewerkers het initiatief heeft genomen om de arbeidsrelatie te beëindigen, maar dat laat onverlet dat de aantasting van haar bedrijfsdebiet geen beletsel was om deze medewerkers met een vergelijkbare positie als geïntimeerde toch te ontheffen uit hun verplichtingen uit het concurrentiebeding.