NVJ c.s. niet ontvankelijk t.a.v. vordering omtrent schadevergoeding voor individuele journalisten wegens drone regelingen: vorderingen onvoldoende veralgemeniseerd waardoor zij niet onder artikel 3:305a BW vallen. NVJ c.s. wel ontvankelijk t.a.v. regelingen waarbij vergunning zou moeten worden aangevraagd of strafvervolging zou moeten worden uitgelokt om regeling door rechter te laten toetsen. Aantal vorderingen ziet op besluiten waartegen bezwaar/beroep kon worden ingesteld. Vorderingen die zien op intrekking/verbod op handhaving voorschriften AmvB’s en ministeriële regelingen niet-ontvankelijk op grond van artikel 81 Gw. Gevorderde verklaring voor recht dat uitvaardigen AmvB’s jegens eiser onrechtmatig is wel mogelijk. Drone regelingen geen ongerechtvaardigde inmenging op recht van vrije nieuwsgaring (artikel 10 EVRM): bij minidrone-regeling en opdrachten die vooraf bekend zijn geen inmenging in grondrecht. Bij onverwachtse nieuwsfeiten sprake van “pressing social need”: drones die buiten minidrone-regeling vallen meest risicovol en luchtruim voor hulpdiensten nodig bij calamiteiten. Geen inbreuk op artikel 14 EVRM: regelgeving van tijdelijke aard en als al sprake is van discriminatoir onderscheid is wegnemen daarvan reeds onderhanden genomen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van ongelijkheid is er geen “verdachte grond” en wordt aan proportionaliteitstoets voldaan. Schadevorderingen Oudshoorn afgewezen.
VRIJE NIEUWSGARING
De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is van mening dat het regelgevend kader voor journalistiek gebruik van drones onwerkbaar is en in strijd met verdragsrechtelijke grondrechten. Oudshoorn is fotograaf en heeft van de Telegraaf een opdracht gekregen om met gebruik van een drone een rapportage te maken over de stand van zaken van de renovatie c.q. het verval van de pier te Scheveningen. Vanwege de aanzegging van een boete en de aanwezige politie heeft hij echter geen drone gebruikt. Een recreatieve gebruiker heeft echter wel opnames gemaakt met zijn drone. NVJ c.s. vorderen nu onder meer een verklaring voor recht dat de regelingen omtrent de drones in strijd met artikel 10 EVRM zijn.
De rechtbank gaat allereerst in op de ontvankelijkheid van partijen. De NVJ c.s. is niet-ontvankelijk ten aanzien van haar vordering omtrent een schadevergoeding voor individuele journalisten. De belangen van deze vordering laten zich onvoldoende veralgemeniseren, waardoor zij niet tot gelijksoortige belangen waarop artikel 3:305a BW ziet kunnen worden gerekend. Met betrekking tot de TUG-ontheffing (ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik) wordt geoordeeld dat de NVJ c.s. wel ontvankelijk is. Hoewel de TUG-ontheffing een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb richten de bezwaren van de NVJ c.s. zich tegen het tot 1 juli 2015 geldende vereiste van deze ontheffing als zodanig. Het uitlokken van een exceptieve toetsing van het voorschrift waarin het vereiste van een TUG-ontheffing is neergelegd zou de enige reden zijn om deze volgens de journalisten ten onrechte voor hen vereiste ontheffing aan te vragen. Dit betreft een “gekunstelde weg”, zoals bedoeld in de uitspraak van de HR in Leenders/Ubbergen. Nu het vliegen zonder ontheffing strafbaar is kan ook niet van de journalisten worden gevergd dat zij zich blootstellen aan strafvervolging om exceptieve toetsing door de strafrechter uit te lokken. Het voorgaande geldt ook voor de meldplichten en de vorderingen m.b.t. de luchtverkeersregels en de vorderingen over het vereist zijn van ontheffingen en vergunningen als zodanig voor journalistiek gebruik van drones van minder dan 2 kilogram en voor de minidrone-regeling. Ten aanzien van een aantal andere vorderingen wordt geoordeeld dat sprake is van besluiten, waartegen bezwaar/beroep kon worden ingesteld en geen ruimte is voor toetsing door de burgerlijke rechter.
De NVJ c.s. hebben volgens de rechtbank voldoende belang bij hun vorderingen die zien op de nu geldende regelgeving, maar niet volledig tegemoet is gekomen aan hun bezwaren. Een aantal vorderingen die zien intrekking van voorschriften die zijn neergelegd in AmvB’s en ministeriële regelingen of een verbod tot handhaving daarvan worden afgewezen, aangezien de rechter niet mag ingrijpen in de procedure van politieke besluitvorming en afweging van belangen op grond waarvan wetten in formele zin in gevolge artikel 81 Gw door de regering en de Staten-Generaal worden vastgesteld.
De gevorderde verklaring voor recht dat het uitvaardigen van de AmvB’s jegens eisers onrechtmatig zijn zou kunnen worden toegewezen, omdat het niet het karakter heeft van een bevel om wetgeving tot stand te brengen, aangezien de verklaring alleen jegens eisers is en niet tot gevolg heeft dat de betrokken voorschriften moeten worden gewijzigd of ingetrokken. De regels waar de NVJ op doelen zijn niet in strijd met het Handvest van de Grondrechten, aangezien er slechts een Richtlijn in voorbereiding is en het Handvest slechts van toepassing is op lidstaten als zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
Vervolgens wordt ingegaan op de gestelde inbreuk op artikel 10 EVRM. De rechtbank volgt de NVJ c.s. in haar standpunt dat de meldplichten het gebruik van drones door journalisten als zodanig onmogelijk maken. De meldplichten gelden niet voor de zogenaamde minidrone regeling. Ook vergen de meldplichten dat er minimaal 48 uur tussen opdracht en beoogd moment van uitvoering zit, terwijl in veel gevallen vooraf bekend zal zijn dat een nieuwswaardig feit zich zal gaan voordoen. Voor de gevallen dat dit niet zo is, dus bij onverwachtse nieuwsfeiten, ontbreekt de tijd om aan de meldplicht te voldoen. In dergelijke gevallen is volgens de rechtbank sprake van inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring op voorhand en sprake van inmenging in dit grondrecht.
Hierbij is echter sprake van een “pressing social need”. De Staat heeft onweersproken gesteld dat het gebruik van drones die buiten de minidrone-regeling vallen - tussen de vier en 150 kilogram – het meest risicovol is. Daarnaast is aangegeven dat het met de openbare veiligheid gediende belang van de meldplichten zich in het bijzonder laat gelden bij calamiteiten, waarbij de relevante autoriteiten, zoals betrokken hulpdiensten, belang hebben bij gebruik van het luchtruim. De regeling is effectief en doelmatig, omdat er geen minder belastend alternatief bestaat voor de journalisten. De meldplichten zijn niet disproportioneel en er is geen sprake van een chilling effect, gezien de aard van de inmenging en de andere mogelijkheden om – zelfs met behulp van drones – verslag te doen van onverwachte nieuwsfeiten. Er is dus geen sprake van ongerechtvaardigde inmenging in het recht van vrije nieuwsgaring.
Er is geen sprake van inbreuk op artikel 14 EVRM. De rechtbank stelt vast dat de nu gelden de regelgeving van tijdelijke aard is. Het is een fase in het stapsgewijs verlopende proces van aanpassing van de regelgeving aan de ontwikkelingen met betrekking tot gebruik van de als “disruptieve innovatie” gekenschetste drones. Als al sprake is van het gestelde discriminatoire onderscheid, is het wegnemen van het onderscheid reeds ter handen genomen en is het een kwestie van tijd totdat het zal zijn opgeheven. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van ongelijkheid in de zin van artikel 14 EVRM wordt geoordeeld dat geen sprake is van een “verdachte grond” in de zin van dat artikel. Het laten voortbestaan van het door de NVJ c.s. ter discussie gestelde onderscheid kan alles afwegend de proportionaliteitstoets van artikel 14 EVRM doorstaan.
Oudshoorn heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de inmiddels vervallen regelgeving en zijn vordering tot betaling van € 230 omdat Oudshoorn de opdracht van de Telegraaf niet kon uitvoeren wordt eveneens afgewezen. De opdracht is namelijk gegeven door de Telegraaf om de gestelde ongelijke behandeling en onwerkbaarheid van de regels te demonstreren en dus niet een opdracht die als gevolg van de toen geldende regels niet kon worden uitgevoerd.
IEPT20161109, Rb Den Haag, NVJ v De Staat
(kopie origineel vonnis)
Zie ook het persbericht van de NVJ.