Franse regeling die “niet meer verkrijgbare boeken” digitaal toegankelijk maakt in strijd met Auteursrechtrichtlijn
17-11-2016 Print this page
Franse regeling die auteursrechtorganisatie belast met uitoefening recht om “niet meer verkrijgbare“ boeken die vóór 1 januari 2001 in Frankrijk zijn gepubliceerd en niet langer in de handel worden gebracht of in gedrukte of digitale vorm worden gepubliceerd digitaal te toegankelijk te maken en commercieel te exploiteren en auteurs of rechthebbende van deze boeken de mogelijkheid geeft zich onder bepaalde voorwaarden hiertegen te verzetten of hieraan een einde te maken in strijd met Auteursrechtrichtlijn.
AUTEURSRECHT
Verzoeksters, twee auteurs, komen op tegen een Franse regeling waarmee wordt beoogd boeken die vóór 1 januari 2001 in Frankrijk zijn gepubliceerd en niet langer in de handel worden gebracht of in gedrukte of digitale vorm worden gepubliceerd digitaal te opnieuw toegankelijk te maken door deze in digitale vorm commercieel te exploiteren. De zaak belandt uiteindelijk bij het Conseil d’État, die een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie EU.
Het HvJEU overweegt dat de regeling in het hoofdgeding een erkende vennootschap belast met de uitoefening van het recht toestemming te verlenen voor de digitale exploitatie van niet meer verkrijgbare boeken, en tegelijkertijd de auteurs van deze boeken toestaat zich binnen een termijn van zes maanden nadat deze boeken in een hiertoe aangelegde databank zijn opgenomen, vooraf tegen deze uitoefening te verzetten. De uitoefening van het recht tot verzet bij een dergelijke regeling heeft het gevolg dat het gebruik van de werken wordt verboden, terwijl het niet-instellen van verzet door een bepaalde auteur binnen de gestelde termijn in het licht van artikel 2 onder a) en 3 (1) van de Auteursrechtrichtlijn kan worden beschouwd als de uitdrukking van zijn impliciete toestemming voor dit gebruik. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter niet dat deze regeling een mechanisme bevat dat waarborgt dat de auteurs daadwerkelijk en persoonlijk in kennis worden gesteld. Het is dus niet uitgesloten dat enkele van de betrokken auteurs in werkelijkheid zelfs niet op de hoogte zijn van het voorgenomen gebruik van hun werken, en dus niet in staat zijn hierover een positief dan wel negatief standpunt in te nemen. Hierdoor kan het loutere feit dat zij zich hiertegen niet hebben verzet, niet worden gezien als de uitdrukking van hun impliciete toestemming voor dit gebruik. Dit is temeer het geval nu het om boeken gaat die in het verleden wel werden gepubliceerd en in de handel verspreid, maar nu niet meer. Deze bijzondere context verzet zich ertegen dat redelijkerwijze kan worden verondersteld dat alle auteurs van deze „vergeten” boeken, bij gebrek aan verzet, dan toch voorstander zijn van de „wederopstanding” van hun boeken om deze in digitale vorm commercieel te gebruiken.
Daarnaast wordt overwogen dat de Franse regeling de auteurs in staat stelt de commerciële exploitatie van hun werken in digitale vorm te beëindigen. Deze beëindiging kan plaatsvinden in gezamenlijk overleg met de uitgevers van deze werken in gedrukte vorm, of door de auteur zelf, in dit laatste geval echter op voorwaarde dat zij het bewijs leveren de enige rechthebbende op deze werken te zijn. Verwijzend naar Luksan (IEPT20120209) en HP Belgium (IEPT20151112) overweegt het HvJEU dat hoewel de Auteursrechtrichtlijn niet verbiedt om aan bepaalde derden rechten of voordelen toe te kennen, dit geen afbreuk mag doen aan de rechten die de richtlijn aan de auteurs toekent. Auteurs moeten het recht om toekomstige exploitatie van een werk te beëindigen kunnen uitoefenen zonder in bepaalde gevallen afhankelijk te zijn van de overeenstemmende wil van anderen dan diegenen die de auteur vooraf toestemming heeft verleend voor de exploitatie van het werk. Ten slotte verwijst het Hof nog naar het formaliteitsverbod van artikel 5(2) van de Berner Conventie. Dit staat eraan in de weg dat een auteur als hij toekomstige exploitatie van zijn werk zou willen verbieden in bepaalde gevallen zich vooraf zou moeten onderwerpen aan een formaliteit die erin bestaat dat hij moet aantonen dat er geen andere rechthebbenden van dat werk zijn.
Het Hof van Justitie EU beantwoordt de gestelde vraag als volgt:
Artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een nationale regeling zoals die aan de orde in het hoofdgeding, een auteursrechtenorganisatie belast met de uitoefening van het recht om de reproductie en de mededeling aan het publiek, in digitale vorm, toe te staan van zogeheten „niet meer verkrijgbare” boeken, te weten boeken die vóór 1 januari 2001 in Frankrijk zijn gepubliceerd en niet langer in de handel worden gebracht of in gedrukte of digitale vorm worden gepubliceerd, en daarbij de auteurs of rechthebbenden van deze boeken in staat stelt zich tegen deze uitoefening te verzetten of hieraan een einde te maken onder de voorwaarden die in deze regeling zijn vastgesteld.