HR voornemens prejudiciële vragen te stellen aan HvJEU m.b.t. maatstaf toewijsbaarheid exihibitievordering ex art. 6 Handhavingsrichtlijn

22-11-2016 Print this page
IEPT20161118, HR, Synthon v Astellas

(Met dank aan Thijs van Aerde, Houthoff Buruma en Mark van Gardingen en Jan Pot, Brinkhof)

PROCESRECHT

Bij vordering van inzage, afschrift of uittreksel op grond van artikel 843 Rv jo art. 392 Rv dient als maatsstaf voor de aannemelijkheid van de rechtsbtrekking dat (a) voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt, dat (b) daarbij de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal dienen te worden betrokken en dat (c) uitgangspunt is dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering. Met betrekking tot de exhibitievordering op grond van artikel 6 Handhavingsrichtlijn worden er twee vragen aan het HvJEU gesteld.

Prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. Bij het arrest IEPT20151006 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

De eerste vraag heeft naar het oordeel van de HR al zijn beantwoording gevonden in IEPT20151113 (AIB/Novisem). Diegene die afgifte van bewijsmateriaal verlangt dient zodanige feiten te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen dat voldoende aannemelijk is dat er inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. De vraag wat als voldoende mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan volgens de Hoge Raad niet in algemene zin worden beantwoord. Daarbij komt het aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het overlegde bewijsmateriaal. Er hoeft niet te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering. Bij een verzoek op grond van artikel 1019b Rv kan de vereiste aannemelijkheid eerder aanwezig zijn dan wanneer het gaat om een verzoek of vordering tot het mogen inzien of het verkrijgen van afschrift van dat bewijsmateriaal.

De Hoge Raad beantwoordt de eerste vraag dan ook als volgt:

“De maatstaf waarnaar in vraag 1 wordt gevraagd laat zich derhalve niet anderszins in algemene bewoordingen beantwoorden dan aldus, dat (a) voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt, dat (b) daarbij de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal dienen te worden betrokken en dat (c) uitgangspunt is dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering.”

Vraag 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke beantwoording. Samengevat stellen de vragen aan de orde of de vereiste mate van aannemelijkheid van de gestelde inbreuk dezelfde moet zijn wanneer de exhibitie dient ter staving van wat wordt aangeduid als ‘technische inbreuk’ als wanneer het gaat om andere feiten, zoals door wie en in welke omvang inbreuk plaatsvindt. De Hoge Raad overweegt hieromtrent dat de rechter bij zijn oordeel met betrekking tot de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in ie-zaken, bij de toetsing van het rechtmatig belang, de belangen van de verweerder dient te betrekken. In het bijzonder moet rekening gehouden worden met het belang van de verweerder dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar ook het belang om verschoond te blijven van exhibitie als de inbreuk onvoldoende aannemelijk is of als aan de exhibitie verlangende partij minder ingrijpende middelen tot bewijsgaring voor handen heeft. Maatstaven voor de vraag wat in een concreet geval als voldoende aannemelijk moet gelden, vallen volgens de Hoge Raad niet te geven.

Met betrekking tot artikel 6 handhavingsrichtlijn rijst volgens de Hoge Raad nog wel de vraag of bij de aan te leggen maatstaf voor toewijsbaarheid van een exhibitievordering onderscheid moet worden gemaakt al naar gelang de partij van wie exhibitie wordt verlangd een (beweerdelijke) inbreukmaker is of een derde. De Hoge Raad zal hiertoe een prejudiciële vraag aan het HvJEU stellen.

Vraag 4 (en vraag vijf is een vervolg daarop) betreft de maatstaf aan de hand waarvan een verweer tegen een exhibitievordering moet worden beoordeeld, dat strekt tot nietigheid van het recht waarop de exhibitie wordt verlangd. Dit zou kunnen leiden tot een situatie waarin aan de aannemelijkheid van de gegrondheid van een dergelijk verweer hogere eisen worden gesteld dan gelden voor de aannemelijkheid van de gestelde inbreuk.
Er moet vermeden worden dat een partij tot exhibitie wordt gedwongen terwijl het door de wederpartij ingeroepen recht niet eens blijkt te bestaan. De Hoge Raad zal hieromtrent een vraag aan het HvJEU stellen.

De Hoge Raad is voornemens de volgende vragen aan het HvJEU te stellen:

“1.a. Moet art. 6 Handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat bij de aan te leggen maatstaf voor toewijsbaarheid van een exhibitievordering onderscheid moet worden gemaakt al naar gelang de partij van wie exhibitie wordt verlangd, een (beweerdelijke) inbreukmaker is of een derde?
b. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?

2.a. Indien tegen een exhibitievordering een verweer wordt gevoerd dat inhoudt dat het recht van intellectuele eigendom op grond waarvan de exhibitie wordt verlangd, nietig is of niet langer bestaat, dient dan de gegrondheid van dat verweer aan de hand van dezelfde maatstaf te worden beoordeeld als die welke geldt voor de vraag naar de aannemelijkheid van de gestelde inbreuk (aangenomen dat het ingeroepen recht van intellectuele eigendom bestaat)?
b. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?”

Parijen worden in de gelegenheid gesteld zich omtrent deze vragen uit te laten.

IEPT20161118, HR, Synthon v Astellas

(ECLI-versie)

Zie voor het verloop van het geding ook IEPT20130201 (rb) en IEPT20150224 (tussenarrest).