Inbreuk merkenrechten in beslag genomen Tommy Hilfiger kleding vanwege aanwezigheid van inbreukmaker bij het beslag
16-12-2016 Print this page
Appellant [X] is aan te merken als inbreukmaker op merkenrechten Tommy Hilfiger (TH) met betrekking tot de in beslag genomen kleding bij het beslag te Lelystad. [X] was namelijk aanwezig toen de kleding in beslag werd genomen en inbreukmakende TH kleding in zijn auto aangetroffen. TH wordt in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van de betrokkenheid van de echtgenote van[ X], mevrouw [Y]. Hof is, anders dan rechtbank, van oordeel dat ten aanzien van dat de betrokkenheid van Y uit een e-mail blijkt, zij kon volstaan met een betwisting bij gebrek aan wetenschap en het aantreffen van originele TH kledingstukken in bedrijfspand van [Y] waarvan de nep exemplaren bij het beslag in Lelystad zijn aangetroffen is onvoldoende om betrokkenheid aan te tonen. Wishful Business B.V. , een B.V. van appellant [X], heeft merkinbreuk gefaciliteerd. De grieven van [X] inhoudende dat derden mogelijk ook toegang hebben tot het bedrijfspand falen wegens niet nadere onderbouwing. [X] wordt toegelaten tegenbewijs te overleggen tegen het dwingend bewijs van de deurwaarders dat [X] houder is van de inbreukmakende TH kleding in de loods te Heemskerk. Op grond van art. 151 lid 2 staat tegen dwingend bewijs, tegenbewijs vrij. Merkinbreuk ten aanzien van met V.O.F. verhandelde TH kleding: TH voldoende gemotiveerd dat door [X] overlegde facturen vals zijn. Niet voldoen aan vonnis levert niet zonder meer onrechtmatige daad op, bijkomende omstandigheden nog gesteld noch gebleken, wel ziet het hof aanleiding om maximum van de dwangsom te verhogen naar € 250.000.
MERKENRECHT - PROCESRECHT
Hoger beroep tegen IEPT20150204 waarin werd geoordeeld dat er geen merkinbreuk was gepleegd ten aanzien van in beslag genomen kleding Wishful Business (WB), X en Y, maar dat er door hen onrechtmatig was gehandeld jegens Tommy Hilfiger omdat zij merkinbreuk gefaciliteerd hadden. Er is wel sprake van merkinbreuk ten aanzien van veel meer kleding van TH dan is aangetroffen bij proefaankopen en beslagen, blijkt uit facturen.
De principale grieven 1 tot en met 15 en 26 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat X en Y betrokken zijn geweest bij het faciliteren van merkinbreuk met betrekking tot de in de beslag genomen kleding in Lelystad. TH heeft haar incidentele grief gericht tegen dit oordeel. TH heeft betoogd dat X zelf merkinbreuk heeft gepleegd. De rechtbank heeft overwogen dat X het relaas van de privédetective onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. X heeft nu de betwisting van dit oordeel in hoger beroep niet nader gemotiveerd, terwijl dit wel op zijn weg lag. X heeft niet betwist dat hij aanwezig was bij het beslag in 2011in Lelystad. De opgegeven reden voor zijn aanwezigheid –namelijk het inspecteren van een partij afgekeurde kleding - overtuigt niet. De afnemer van de partij kleding was immers aanwezig om de partij in ontvangst te nemen en t e betalen. Voorts staat vast dat in de auto van X inbreukmakende TH kleiding is aangetroffen. Naar het oordeel van het hof moeten de omstandigheden in onderling verband bezien tot de conclusie leiden dat X zelf TH-goederen heeft verkocht en in voorraad heeft gehad. Nu hij daarvoor geen toestemming van TH had, heeft hij hiermee inbreuk gemaakt op de merkenrechten van TH. De grieven van X falen hiermee.
Met betrekking tot de betrokkenheid van Y, de vrouw van X, heeft TH gesteld deze volgt uit de e-mail van de privédetective waarin wordt aangegeven dat aan Y kon worden betaald. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat Y had kunnen volstaan met een betwisting bij gebrek aan wetenschap. Niet valt in te zien wat zij anders had kunnen aanvoeren. Het enkele feit dat originele typen kledingstukken bij haar zijn aangetroffen die overeenkomen met de nep exemplaren die in Lelystad in beslag zijn genomen, is onvoldoende om haar betrokkenheid aan te tonen. De bewijslast met betrekking tot de in beslag genomen kledingstukken ligt bij TH. TH zal in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren.
De principale grieven 16 tot en met 25 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Wishful Business door haar betrokkenheid bij de proefaankoop en bij de in beslag genomen namaakkleding in Alkmaar merkinbreuk heeft gefaciliteerd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens TH. De betreffende proefaankoop is opgehaald in het bedrijfspand van WB in Alkmaar. WB stelt zich op het standpunt dat ook de oudere huurders over sleutels van het pand zouden kunnen beschikken en daar spullen zouden hebben opgeslagen. X, als eigenaar van WB heeft niet nader onderbouwd dat derden sleutels hebben van het bedrijfspand, of dat een oudere huurder zijn spullen daar nog had liggen. De grieven hieromtrent falen derhalve.
X heeft de grieven 10 tot en met 15 tevens gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Y en X betrokken waren bij het in voorraad houden van TH kleding ten tijde van het beslag in Heemskerk. TH komt in grieven op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat X huurder was van de loods in Heemskerk danwel feitelijk houder van de in beslag genomen kleding. TH heeft een proces-verbaal overlegd, opgemaakt door twee deurwaarders waarin zij hebben opgenomen dat de verhuurder van de loods heeft verklaard dat de spullen toekomen aan X. Dit proces-verbaal is dwingend bewijs als bedoeld in artikel 157 lid 1 Rv. Op grond van lid 2 van artikel staat tegenbewijs vrij. Nu X bewijs heeft aangeboden zal het hof hem toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
De grieven 26 tot en met 32 zijn gericht tegen het oordeel dat X als vennoot van Primetta v.o.f. hoofdelijk verbonden was voor de verbintenissen hiervan dat X in 2005 en 2006 mede aan de merkhouder voorbehouden handelingen heeft verricht en dat WB in kleding voorzien van TH-tekens zonder toestemming heeft verkocht binnen Europa. Een vof kent echter geen rechtspersoonlijkheid. Indien X middels zijn v.o.f. inbreukmakende kleding verhandelt, pleegt hij zelf merkinbreuk en is hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk. X heeft aangevoerd dat de betreffende kleding van een handelspartner van TH afkomstig is en dat de kleding met toestemming van TH in het verkeer is gebracht. TH ontkent dit niet, maar heeft daaraan toegevoegd dat X in 2006 slechts één maal een partij kleding van TH heeft gekocht. TH heeft gemotiveerd aangevoerd dat alle aangetroffen facturen vervalst moeten zijn: de inkoopfacturen komen niet voor in de administratie van TH, er staan geen prijzen per stuk op en de prijzen die erop staan zijn veel te laag. X heeft gezien het bovenstaande onvoldoende onderbouwd dat de kleding met toestemming van TH in het verkeer is gebracht.
Het hof is met X van oordeel dat het enkele niet voldoen aan een vonnis niet zonder meer een onrechtmatige daad oplevert. De gevorderde verklaring voor recht en het gebod tot schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van bewijs van feiten van TH waaruit valt af te leiden dat Y betrokken was bij de in beslag genomen kleding in Lelystad. Tevens wordt X in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat de goederen in de loods te Heemskerk aan hem toebehoren.
IEPT20161213, Hof Den Haag, Tommy Hilfiger
(Kopie originele arrest)