Provisionele inbreukvorderingen afgewezen

10-01-2017 Print this page
IEPT20161221, Rb Den Haag, NBG Monuglass v Miro

Onvoldoende onderbouwd dat handelsnaam “Van Ruysdael” niet (mede) door Stichting Octrooibehoud VR gevoerd was en overgedragen aan NBG Monuglas: handelsnaam kan ingevolge artikel 2 Hnw slechts met overdracht onderneming worden overgedragen. Miro maakt geen inbreuk op handelsnaam “Van Ruysdael”: handelsnaam tezamen met failliete onderneming VRI overgenomen door Miro, Miro heeft ouder handelsnaamrecht. Geen inbreuk op Benelux-merk “Van Ruysdael”:uitzondering artikel 2.23(2) BVIE (ouder recht) van toepassing en gebruik teken door Miro ter onderscheiding van waren of diensten niet aannemelijk.

 

HANDELSNAAMRECHTMERKENRECHT

 

VRI was actief op het gebied van isolerend enkelglas. VRI gebruikte de handelsnaam “Van Ruysdael” en het Benelux-merk “Van Ruysdael”. Bij vonnis van 12 januari 2016 is VRI op verzoek van NBG failliet verklaard. Bij provisionele vordering vordert NBG nu een inbreukverbod jegens Miro gedurende de procedure. NBG stelt dat de IE-rechten van VRI bij de Stichting Octrooibehoud VR lagen en dat de IE-rechten door de stichting aan haar zijn overgedragen. Miro vordert ook een provisionele voorziening tot staking van het teken Van Ruysdael als merk en als handelsnaam.

 

Miro heeft met verwijzing naar twee producties gesteld dat VRI de handelsnaam Van Ruysdael vanaf 2002 heeft gevoerd. Dit is onweersproken gelaten, waardoor dit in het incident tussen partijen vaststaat. Uit niets blijkt dat de handelsnaam (mede) door de stichting werd gevoerd en evenmin dat deze is overgedragen aan NBG Monuglass. De overgelegde akte vermeldt slechts overdracht van het Benelux-merk. Daarnaast kan ingevolge artikel 2 Hnw een handelsnaam slecht met overdracht van een onderneming worden overgedragen, waardoor het handelsnaamrecht niet aan de Stichting kan zijn overgedragen of daar kan zijn ontstaan.

 

Miro maakt geen inbreuk op de handelsnaam “Van Ruysdael”, aangezien zij de handelsnaam tezamen met de failliete onderneming VRI heeft overgenomen. Dit blijkt uit de overeenkomst tot koop en verkoop van activa en goodwill tussen de curator en Miro. Hierdoor heeft zij een ouder handelsnaamrecht dan NBG Monuglass die de handelsnaam sinds november/december 2015 stelt te voeren.

 

Er is voorts geen inbreuk gemaakt op het Benelux-merk “Van Ruysdael”. De uitzondering van artikel 2.23(2) BVIE is van toepassing, aangezien de aan Miro toekomende handelsnaam immers een ouder recht is, zoals in die bepaling bedoeld. Voorts is onvoldoende aannemelijk dat Miro het teken ter onderscheiding van waren of diensten gebruikt. De provisionele vordering van Miro wordt afgewezen, omdat deze niet samenhangt met de vorderingen in de hoofdzaak van NBG Monuglas, maar kennelijk vooruit loopt op hetgeen Miro in de hoofdzaak in reconventie van NBG Monuglas wil vorderen.

 

IEPT20161221, Rb Den Haag, NBG Monuglass v Miro

 

(ECLI-versie)