Verwarringsgevaar tussen ALPHA D3 en ALPHAREN voor farmaceutische preparaten

Print this page 17-02-2017
IEPT20170126, GEU, Opko Ireland v EUIPO

Merkenrecht. Beroep tegen de toegewezen oppositie tegen het uniewoordmerk ALPHAREN voor waren uit de klasse 5 (farmaceutische preparaten). Oppositie werd ingesteld door de houder van het oudere Hongaarse, Letse en Litouwse woordmerk ALPHA D3 voor waren uit de klasse 5 (farmaceutische preparaten). De Kamer van Beroep overwoog dat, hoewel de oppositie afdeling niet juist had geoordeeld door de oppositie toe te wijzen puur op basis van het oudere Hongaarse merk, maar oordeelde zelf dat wanneer ook naar het Letse en Litouwse merk werd gekeken er sprake was voor een verwarringsgevaar.

Het beroep faalt. Het Gerecht oordeelt dat het relevante publiek zowel gezondheidsprofessionals en gemiddelde consumenten die lijden aan nierklachten bevat. Deze hebben een verhoogde aandacht, maar niet per se gespecialiseerde kennis van het product, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert. De waren waarvoor de merken zijn ingeschreven zijn in hoge mate overeenstemmend. De relevante groep kan geacht worden beide preparaten te nemen bij chronisch nierfalen, en de waren hebben dezelfde therapeutische functie. Visueel stemmen de merken in lage mate overeen, daar ze allebei het element Alpha bevatten. Het achtervoegsel doet daar in enige mate afbreuk aan. Fonetisch gezien is er ook sprake van een zekere fonetische overeenstemming – het feit dat de eerste twee lettergrepen identiek zijn zorgt daarvoor. Conceptueel gezien stemmen de merken in zekere mate overeen door het element Alpha – de achtervoegsels hebben geen betekenis voor het relevante Hongaarse, Letse of Litouwse publiek dus kunnen daaraan weinig afbreuk doen. Het element D3 kan als referentie aan de Vitamine D worden gezien. Het Gerecht besluit dat er een verwarringsgevaar is: de overeenstemming in de waren en de mate van overeenstemming tussen de merken betekent dat de merken verward kunnen worden. Het beroep faalt.

 

“110 It must be pointed out that the applicant’s assertions are based on the incorrect premiss that the similarity of the goods in question has not been proved. However, as is apparent from the analysis above, the Board of Appeal was fully entitled to consider that the goods covered by the marks at issue were highly similar (see paragraph 82 above). Similarly, there is a weak visual similarity and a certain phonetic and conceptual similarity between the signs in question. It follows that the Board of Appeal was correct to hold that there was a likelihood of confusion between the marks in question on the part of average Latvian and Lithuanian consumers with a high level of attention.“

 

Lees het vonnis hier.