Publicatie foto eiser bij artikel over hufterfuik geen schending Wbp

IEPT20170201, Rb Rotterdam, AD

Print pagina
IEPT20170201, Rb Rotterdam, AD

Publicatie foto eiser in AD waarin hij in hufterfuik was aangehouden en zijn gezicht was geblurred betreft identificeerbare gegevens in de zin van de Wbp. Eiser hoeft niet aan te tonen dat hij daadwerkelijk is herkend. Publicatie niet onrechtmatig: beroep AD op artikel 3 (verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden) en 8f Wbp slaagt.

 

PUBLICATIE - PRIVACY

 

Op 8 oktober 2015 heeft, in de papieren versie van de door AD uitgegeven krant, in het katern “Stad & Regio” voor de stad Rotterdam, een artikel over de hufterfuik gestaan, met een foto van eiser naast een door hem even daarvoor bestuurde auto, Mercedes […] Onder de foto staat “Politieagenten fouilleren een automobilist in de ‘hufterfuik’ aan de Veerkade”. Op de foto is te zien dat eiser zijn arm opsteekt terwijl een politieagent vlak naast hem staat. Andere agenten doorzoeken de kofferbak van de auto. De foto is gemaakt toen eiser door de politie gevraagd was uit te stappen in verband met een grote controle die plaatsvond in Rotterdam, de zogenaamde hufterfuik. Het gezicht van eiser is op de foto geblurred. De foto is bij het artikel “Overleven op het zebrapad Levend bewijs van asociaal rijgedrag om de hoek bij hufterfuik” geplaatst. Volgens eiser is sprake van handelen in strijd met het Wbp en met zijn portretrecht.

 

De rechtbank oordeelt dat sprake is van identificeerbare gegevens in de zin van de Wbp. AD heeft gelijk waar zij stelt dat de foto op het eerste oog een betrekkelijk algemeen ogend geheel oplevert van een man bij een auto. Bij nadere beschouwing is echter de combinatie van beeldgegevens zo specifiek dat deze met weinig moeite tot eiser herleidbaar is. Hoewel voor een vreemde eiser niet herkenbaar zal zijn, hoeft eiser niet aan te tonen dat hij daadwerkelijk is herkend.

 

De vorderingen van eiser worden echter afgewezen, omdat AD zich kan beroepen op artikel 3 en 8f van de Wbp.

 

4.36. Per saldo acht de rechtbank de belangen van eiser, met name gelet op de beperkte ernst van de inbreuk, niet zo zwaarwegend dat deze moeten prevaleren boven het, in een open samenleving als de Nederlandse, zeer belangrijke grondrecht van (een vrije pers en) vrijheid van meningsuiting. De plaatsing van de foto was redelijkerwijs noodzakelijk in het kader van de voorlichting aan het publiek, AD heeft door het blurren, door het neutrale onderschrift en door het achterwege laten van enige verwijzing naar de foto in het artikel zorgvuldig gehandeld en de belangen van voldoende gerespecteerd en met name niet de suggestie gewekt dat [eiser] zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit of daarvan verdacht werd.


De vorderingen op grond van portretrecht worden afgewezen, nu de te maken afweging in de kern het zelfde is en deze dus ook bij het portretrecht in het nadeel van eiser uitvalt.
 

IEPT20170201, Rb Rotterdam, AD

 

(kopie origineel vonnis)