Verspreiding uitzendingen nationale omroep over nationaal grondgebied geen mededeling aan nieuw publiek

IEPT20170316, HvJEU, AKM v Zurs

Print pagina
IEPT20170316, HvJEU, AKM v Zurs

Geen nieuw publiek bij nationale doorgifte via kabel. Doorgifte via de kabel bij installatie met niet meer dan 500 aangeslotenen is geen “gebruik […] in minder belangrijke gevallen” waarvoor een beperking op het exclusieve recht van mededeling aan het publiek mogelijk is.

AUTEURSRECHT

De AKM is een Oostenrijkse collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten. Zürs.net (hierna: Zürs) exploiteert een kabelnetwerk in Zürs, Oostenrijk, met behulp waarvan zij televisie/en radioprogramma´s uitzendt, sommige oorspronkelijk  door de nationale omroeporganisatie (ORF) en andere oorsponkelijk door andere omroeporganisaties zijn uitgezonden. AKM vordert dat Zürs een passende vergoeding betaalt. Zürs stelt dat met toepassing van een artikel in de Oostenrijkse auteursrechtwet met betrekking tot kleine netwerkinstallaties met maximaal 500 abonnees, de door haar uitgezonden uitzendingen niet kunnen worden aangemerkt als een nieuwe omroepuitzending. AKM betoogt dat deze bepaling in strijd is met zowel het Unierecht als de Berner Conventie.

De verwijzende rechter verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

“Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn [2001/29], dan wel artikel 11bis, lid 1, punt 2, van de Berner Conventie, aldus worden uitgelegd dat een regeling waarbij de doorgifte van omroepuitzendingen via ‚gemeenschappelijke antenne-installaties’ zoals die van verweerster in het hoofdgeding:

a)      niet wordt beschouwd als een nieuwe omroepuitzending wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten en/of

b)      wordt beschouwd als een integrerend onderdeel van de oorspronkelijke omroepuitzending wanneer het de gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de Österreichische Rundfunk door middel van kabels op het nationale grondgebied (Oostenrijk) betreft,

en deze vormen van gebruik evenmin onder een ander uitsluitend recht van mededeling aan het publiek met een element van afstand in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vallen, en derhalve niet afhankelijk zijn van de toestemming van de auteur en hiervoor dus ook geen vergoedingsplicht geldt, strijdig is met het Unierecht dan wel met de Berner Conventie als binnen de rechtsorde van de Unie vallende internationale overeenkomst?”

In de eerste plaats moet worden vastgesteld of een gelijktijdige, volledige  en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de nationale omroeporgansiatie, door middel van kabels op het nationale grondgebied, zoals in casu, een “mededeling aan het publiek” kan vormen in de zin van artikel 3 lid 1 van richtlijn 2001/29 of van artikel 11 bis, lid 1, punt 2, van de Berner Conventie. Hiervoor is allereerst vereist dat bij elke doorgifte waarbij een specifieke technische werkwijze wordt gebruikt, individueel door de betrokken auteur moet worden toegestaan. Ten tweede is vereist dat de beschermde werken daadwerkelijk aan een publiek worden meegedeeld, waarbij het begrip publiek op een bepaald aantal potentiële kijkers of luisteraars ziet en bovendien een vrij groot aantal personen impliceert. Dit publiek moet een nieuw publiek zijn, een publiek waarmee de betrokken rechthebbenden geen rekening hielden toen zij oorspronkelijk toestemming gaven voor het gebruik van hun werken (Reha Training). Omdat in casu de verspreiding van beschermde werken via kabels op het nationaal grondgebied plaatsvindt en de rechthebbenden dus rekening hebben gehouden met de betrokkenen toen zij de oorspronkelijke verspreiding door de nationale omroeporganisatie toestonden, kan het publiek van Zürs niet als nieuw worden beschouwd. De doorgifte van de uitzendingen is dus geen mededeling aan een publiek en hoeft er geen toestemming van de rechthebbenden als bedoeld in die bepaling te worden verkregen.

In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of de Oostenrijkse regeling op grond waarvan de doorgifte van omroepuitzendingen aan niet meer dan 500 abonnees niet als nieuwe omroepuitzending geldt en of de distributeurs en of de distributeurs van deze uitzendingen ontkomen aan het vereiste van toestemming van de rechthebbende te verkrijgen. Zürs kan worden aangemerkt als een exploitant van een “antenne-installatie voor kleine gemeenschappen” in de zin van deze nationale wettelijke regeling. Deze beperking op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten kunnen door de lidstaten worden gesteld mits het alleen analoog gebruik betreft en het vrije verkeer van goederen en diensten in de Europese Unie niet wordt belemmerd. Deze mogelijkheid kan volgens het Hof marktdeelnemers aantrekken en kan leiden tot het constante en gelijktijdige gebruik van meerdere gemeenschappelijke antenne-installaties waardoor op nationaal grondgebied een groot aantal abonnees tegelijkertijd toegang heeft tot de op deze wijze verspreide uitzendingen. Dit cumulatieve effect zorgt ervoor dat de nationale Oostenrijkse bepaling niet kan worden gezien als een uitzondering genoemd in artikel 5 lid 3 onder o richtlijn 2001/29, “gebruik in minder belangrijke gevallen”.

Het Hof geeft als antwoord op de prejudiciële vraag:


“-artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en artikel 11 bis van de Berner Conventie aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de nationale omroeporganisatie, door middel van kabels die op het nationale grondgebied liggen, geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, voor zover deze doorgifte een louter technisch communicatiemiddel vormt en daarmee door de auteur van het werk rekening is gehouden bij de oorspronkelijke toestemming tot mededeling ervan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan;
-artikel 5 van richtlijn 2001/29, en in het bijzonder lid 3, onder o), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een omroepuitzending via een gemeenschappelijke antenne-installatie geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten, en dat deze wettelijke regeling bijgevolg moet worden toegepast in overeenstemming met artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.”

IEPT20170316, HvJEU, AKM v Zurs

C-138/16