Vervaardigen en openbaarmaken ondertitels zonder toestemming rechthebbende inbreukmakend

IEPT20170419, Rb Amsterdam, Stichting Laat Ondertitels Vrij v Brein

Print pagina
IEPT20170419, Rb Amsterdam, Stichting Laat Ondertitels Vrij v Brein

SLOV op grond van statuten en omstandigheid dat belangen van de groep die zij vertegenwoordigt gelijksoortig zijn ontvankelijk. Ondertitelingen zijn vertalingen die krachtens artikel 13 Aw aan te merken zijn als verveelvoudiging, waarvoor in  beginsel toestemming auteursrechthebbende oorspronkelijke werk vereist is (artikel 10(2) Aw. Ondertitels kunnen zelfstandig werk zijn, maar ook dan is voor vervaardiging en openbaarmaking toestemming auteursrechthebbende oorspronkelijke werk nodig.  Openbaarmaken ondertitels zonder toestemming van de auteursrechthebbende is inbreukmakende handeling. Geen (algemeen) uitgangspunt dat steeds een afzonderlijke toets moet plaatsvinden aan de hand van artikel 10 (1) EVRM en/of artikel 11 Handvest.

 

PROCESRECHT - AUTEURSRECHT

 

Stichting Laat Ondertitels Vrij (SLOV) heeft blijkens haar statuten (onder meer) tot doel het behartigen van de belangen van en het opkomen voor de rechten van makers en gebruikers van ondertitels bij televisie- en filmwerken en het verrichten van alle verdere handelingen die daarmee in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.  SLOV vordert onder meer een verklaring voor recht dat een vervaardigde Nederlandse ondertiteling een zelfstandig werk is of kan zijn en om die reden geen toestemming van auteursrechthebbenden van het filmwerk nodig is om die ondertiteling openbaar te maken. De vorderingen worden afgewezen.

 

Brein heeft gesteld dat SLOV niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. De rechtbank oordeelt echter dat  gelet op het statutaire doel van SLOV en de omstandigheid dat de belangen van de groep personen die zij vertegenwoordigt gelijksoortig zijn, SLOV ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.

 

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op dialogen die in een film worden uitgesproken auteursrecht rust en dat bij het vervaardigen van ondertitels, de in de film uitgesproken dialogen naar het Nederlands worden vertaald. Dit brengt met zich dat gelet op artikel 13 Aw dat een vertaling als een verveelvoudiging aanmerkt, ondertitels als verveelvoudiging moeten worden aangemerkt. Daarom is voor het vervaardigen en openbaar maken van ondertitels in beginsel toestemming nodig van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk. Ondertitels kunnen een zelfstandig werk zijn, hetgeen aan de hand van het concrete geval moet worden beoordeeld. Dat sprake kan zijn van een zelfstandig werk staat er niet aan in de weg dat ook voor de vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels toestemming van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk nodig is (artikel 10(2) Aw). Het brengt slechts met zich dat er twee auteursrechten op de ondertitels rusten; het recht van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk en het recht van de maker van de ondertitels op de ondertitels. Voorts moet de rechter, indien daarop concreet verweer wordt gevoerd onderzoeken of in het concrete geval de handhaving van IE-rechten afstuit op een ander grondrecht.

 

Gelet hierop wordt geoordeeld dat voor de vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels in beginsel toestemming nodig is van de rechthebbende op een filmwerk. Ook als ondertitels een zelfstandig werk zijn is voor de vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels de toestemming van de auteursrechthebbende op het filmwerk vereist. Het vervaardigen en openbaarmaken van ondertitels zonder toestemming van de auteursrechthebbende is daarom een inbreukmakende handeling.

 

SLOV wordt niet gevolgd in haar stelling dat als (algemeen) uitgangspunt heeft te gelden dat steeds een afzonderlijke toets moet plaatsvinden aan de hand van artikel 10 (1) EVRM en/of artikel 11 Handvest. Degene die zich op de informatievrijheid beroept zal concrete op het individuele geval toegesneden belangen moeten aanvoeren die zodanig klemmend zijn dat zij rechtvaardigen dat de belangen van de auteursrechthebbende bij handhaving van zijn recht daaraan ondergeschikt worden gemaakt.

 

Ook de gevorderde verklaring voor recht die ziet op het door Brein niet concreet uiteenzetten voor welke auteursrechthebbenden zij optreedt, het door Brein niet melden hoe ver haar volmacht strekt en het door Brein niet duidelijk maken van de auteursrechtelijk beschermde trekken die herkenbaar zijn overgenomen  wordt afgewezen. Het is namelijk onduidelijk welke norm zou zijn overtreden.

 

IEPT20170419, Rb Amsterdam, Stichting Laat Ondertitels Vrij v Brein

 

ECLI:NL:RBAMS:2017:2353