Geen 1019h Rv proceskosten vanaf moment dat zaak alleen nog maar over hoogte proceskosten ging

14-12-2017 Print this page
IEPT20171122, Rb Den Haag, Lindberg

Gedaagde heeft inbreuk erkend en bij CvA aan alle vorderingen behalve aan schadevergoeding en proceskostenbetaling voldaan.  Schadevergoeding van € 2.000 (€ 500 per bril) toegewezen: vordering niet betwist. Proceskosten Lindberg tot 29 maart 2017 (roldatum CvA) begroot op helft van indicatietarief eenvoudige zaak (€ 4.000): gedaagde heeft inbreuk kort na dagvaarding erkend en aangegeven aan vorderingen, behalve proceskosten te voldoen, waar Lindberg niet op inging en recall ingesteld vóór het nemen van de CvA. Kosten na 29 maart begroot volgens liquidatietarief, toen procedure nog uitsluitend zag op bepalen hoogte proceskosten: zaak kan vanaf dat moment niet meer als procedure tot handhaving IE-rechten ex artikel 1019h Rv worden aangemerkt. Kosten na 29 maart gecompenseerd: door weigering Lindberg om op redelijke regeling gedaagde in te gaan is gedaagde geconfronteerd met hogere kosten die niet gemaakt hadden hoeven worden. Beslagkosten (€ 5.6314,14) toegewezen: inbreukmakende producten aangetroffen, advocaatkosten reeds in toegewezen bedrag van € 4000 verdisconteerd en bedrag verder niet bestreden.

 

PROCESRECHT

 

Lindberg houdt zich bezig met het ontwerpen en produceren van kwalitatief hoogwaardige brillen en is houdster van een aantal merkregistraties en modellen voor haar brillen. Gedaagde is eigenaar van een brillenwinkel. Lindberg heeft op 15 december conservatoir beslag tot afgifte en bewijsbeslag gelegd onder gedaagde. Lindberg stelt dat sprake is van inbreuk op haar IE-rechten.

 

De rechtbank overweegt dat gedaagde de inbreuk heeft erkend en bij CvA aan alle vorderingen behalve de vordering tot schadevergoeding en proceskostenbetaling is voldaan. De schadevergoedingsvordering is niet betwist (€  2.000 voor vier brillen) en wordt daarom toegewezen.

 

De zaak gaat dus vooral om de proceskostenveroordeling. De proceskosten van Lindberg worden voor de periode tot 29 maart 2017, de roldatum van de CvA, begroot op de helft van het indicatietarief voor een eenvoudige zaak, waarbij in aanmerking wordt genomen dat gedaagde de inbreuk kort na dagvaarding heeft erkend en heeft aangegeven de vorderingen, behalve de proceskosten te voldoen. Hier is Lindberg echter niet op ingegaan. Ook heeft gedaagde daadwerkelijk een recall ingesteld vóór het nemen van de CvA. De kosten na 29 maart worden begroot volgens het liquidatietarief, omdat de procedure toen nog uitsluitend zag op het bepalen van de hoogte van de proceskosten. Bij conclusie van antwoord is namelijk een onthoudingsverklaring overgelegd, toestemming gegeven de in beslag genomen administratie te onderzoeken, informatie verstrekt over het distributiekanaal, aangegeven dat gedaagde bereid was de gevorderde schadevergoeding te betalen en een – in het licht van het hiervoor genoemde indicatietarief – niet onredelijk aanbod tot betaling van de kosten gedaan van maximaal € 10.000,-. De kosten na 29 maart worden gecompenseerd door de weigering van Lindberg om op de redelijke regeling van gedaagde in te gaan, waardoor gedaagde met hogere kosten is geconfronteerd dan nodig. De kosten voor de verschotten voor de gelegde beslagen van € 5.6314,14 worden toegewezen.

 

IEPT20171122, Rb Den Haag, Lindberg

 

ECLI:NL:RBDHA:2017:13694