Vonnis voorzieningenrechter bekrachtigd voor wat betreft het ontbreken van het (spoed)eisend belang HBM bij haar vorderingen jegens Fluwel met betrekking tot tulpenras Royal Virgin: onvoldoende belang bij verbod, Fluwel heeft onthoudingsverklaring inclusief boeteclausule afgelegd. Grief HBM met betrekking tot proceskosten slaagt wel: HBM in eerste aanleg niet in ongelijk gestelde partij aangezien Fluwel pas ná aanhangig maken zaak heeft toegestemd met de vorderingen, maar door HBM gevorderd bedrag verminderd naar redelijkheid en evenredigheid, artikel 1019h Rv.
HBM is in beroep gekomen tegen het vonnis in kort geding, IEPT20161116, Rb Den Haag, HBM. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbrak het HBM aan spoedeisend belang daar HBM al sinds de Midwinterflora 2013 op de hoogte was van de gestelde inbreuk. HBM vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen alsnog toewijst en Fluwel wordt veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.
Naar het oordeel van het hof heeft HBM op dit moment onvoldoende spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen. Bij het gevorderde verbod heeft HBM onvoldoende belang gezien de onthoudingsverklaring die Fluwel heeft afgelegd. Fluwel heeft niet alleen verklaard zich te zullen onthouden van inbreuken, maar heeft deze toezegging verstevigd met een boeteclausule. Door vernietiging van de voorraad One Direction bollen is het aannemelijk geworden dat Fluwel verdere handelingen met het One Direction materiaal onmogelijk heeft gemaakt.
HBM heeft eveneens geen belang meer bij haar vordering tot afgifte van de voorraad cultivar One Direction. Het enkele feit dat er geen garantie is dat HBM de hele voorraad van Fluwel in beslag heeft genomen levert geen voldoende belang op bij de gevorderde afgifte.
De grief van HBM met betrekking tot de proceskosten slaagt wel. Het feit dat HBM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen brengt in dit geval niet mee dat HBM in eerste aanleg niet als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Fluwel heeft na het aanhangig maken van de zaak erin toegestemd te voldoen aan het gevorderde verbod, de gevorderde opgave en de gevorderde afgifte, het doen van opgave en de vernietiging van de voorraad. Fluwel moet in eerste aanleg als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. De proceskostenveroordeling ten laste van HBM wordt vernietigd. Beroep van Fluwel op de redelijkheid en evenredigheid van de proceskostenvordering in de zin van artikel 1019h Rv slaagt. De kosten worden gemaximeerd op EUR 15.000.
IEPT20180213, Hof Den Haag, HBM v Fluwel